ECLI:NL:CRVB:2011:BR5399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag met terugwerkende kracht tot vierde kwartaal 1999
Appellant, wonende in Turkije, ontving sinds 1986 een WAO-uitkering en was sinds 1989 met behoud van deze uitkering in het buitenland. In 1996 werd zijn WAO-uitkering verlaagd, waardoor hij niet langer verzekerd was voor kinderbijslag volgens de AKW. In 2007 vroeg appellant kinderbijslag aan met terugwerkende kracht tot 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af voor de periode vóór het vierde kwartaal van 1999.
Appellant stelde dat hij door een lange en moeizame WAO-procedure en financiële omstandigheden recht had op een langere terugwerkende kracht, en dat de Svb van haar beleidsvrijheid volgens artikel 4:84 Awb Pro had moeten afwijken. De Raad overwoog dat terugwerkende kracht slechts mogelijk is tot maximaal één jaar voor de aanvraag, tenzij sprake is van een bijzonder geval waarbij aanspraken zijn veiliggesteld.
De Raad concludeerde dat de enige daad van veiligstellen de brief van 27 december 2000 was, waarmee appellant niet eerder aanspraak had veiliggesteld. Daarom was de terugwerkende kracht tot het vierde kwartaal van 1999 terecht. De bijzondere omstandigheden van appellant rechtvaardigden geen verdere terugwerkende kracht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag met terugwerkende kracht vóór het vierde kwartaal van 1999 bevestigd.