ECLI:NL:CRVB:2011:BR5396

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3757 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging kinderbijslag op basis van verzekering voor de Algemene kinderbijslagwet

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan op het hoger beroep van appellant, die in Marokko woont. Appellant had in het verleden in Nederland gewerkt en ontving een uitkering op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De kinderbijslag die aan appellant was toegekend, werd per 1 april 2008 beëindigd omdat hij niet langer verzekerd was voor de Algemene kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank Amsterdam had eerder geoordeeld dat de beëindiging van de kinderbijslag terecht was, omdat appellant vanaf het tweede kwartaal van 2003 geen recht meer had op deze uitkering. Dit was het gevolg van een herziening van zijn WAO-uitkering, die was verlaagd naar een percentage dat onder de vereiste grens voor verzekering viel.

Appellant stelde in hoger beroep dat hij verzekerd was voor de volksverzekeringen en dat zijn WAO-uitkering vanaf 2005 was verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad overwoog echter dat de argumenten van appellant geen nieuwe gezichtspunten boden ten opzichte van zijn eerdere stellingen bij de rechtbank. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat de beëindiging van de kinderbijslag op goede gronden was gebaseerd. De Raad concludeerde dat er geen aanleiding was voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigde de aangevallen uitspraak.

Uitspraak

10/3757 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2010, 09/879 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 19 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft in het verleden in Nederland werkzaamheden verricht. Vanaf 1979 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Appellant is naar Marokko teruggekeerd. Met ingang van 29 januari 2003 is de WAO-uitkering herzien naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 17 oktober 2008 is de aan appellant toegekende kinderbijslag met ingang van het tweede kwartaal van 2008 beëindigd, omdat appellant niet langer verzekerd is voor de Algemene kinderbijslagwet (AKW).
1.2. Bij besluit van 20 december 2006 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de kinderbijslag terecht met ingang van het tweede kwartaal van 2008 is beëindigd. Volgens de rechtbank heeft de Svb terecht geconcludeerd dat appellant vanaf het tweede kwartaal van 2003 geen recht meer heeft op kinderbijslag. Appellant is niet meer verzekerd voor de AKW omdat de WAO-uitkering met ingang van 29 januari 2003 minder is dan 35% van het minimumloon. De rechtbank heeft overwogen dat daarbij geen rekening dient te worden gehouden met de toeslag ingevolge de Toeslagenwet die appellant ontvangt. Verwezen is naar jurisprudentie van de Raad, waaronder de uitspraak van 26 augustus 1993, LJN AN3525. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de stelling dat appellant vanaf 2005 weer een WAO-uitkering ontvangt naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% appellant niet kan baten, omdat deze stelling geen grondslag vindt in de stukken en het recht op kinderbijslag op grond van artikel 27, tweede lid, van het Koninklijk Besluit van 24 december 1998 (KB 746) niet kan herleven.
3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat hij verzekerd is voor de volksverzekeringen. Hij stelt dat zijn WAO-uitkering vanaf 2005 is verhoogd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad constateert dat appellant in hoger beroep één van de eerder naar voren gebrachte gronden heeft herhaald.
4.2. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname bij de rechtbank, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2011.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) T.J. van der Torn.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip verzekerde.
TM