ECLI:NL:CRVB:2011:BR4718
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk als conciërge bevestigd
Appellant was werkzaam als conciërge en meldde zich ziek vanwege knie- en rugklachten. Na eerdere afwijzing van WAO-uitkering werd hem op 20 februari 2008 en 17 november 2008 door het UWV het recht op ziekengeld ontzegd omdat hij niet ongeschikt werd geacht voor zijn werk.
De bezwaarverzekeringsarts voerde zorgvuldig medisch onderzoek uit en concludeerde dat de beperkingen van appellant niet waren toegenomen sinds 2004. Het door appellant ingebrachte aanvullende medische rapport bood geen aanleiding tot een andere conclusie.
Appellant stelde dat het UWV onvoldoende had onderzocht of hij geschikt was voor soortgelijk werk bij een andere werkgever, maar de Raad oordeelde dat volgens de wet alleen de kenmerkende onderdelen van het laatst verrichte werk relevant zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat regulier conciërgewerk te zwaar is.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en zag geen reden tot toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt is voor zijn werk als conciërge.