ECLI:NL:CRVB:2011:BR4076
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAZ-uitkering wegens voortzetting onderneming in andere juridische structuur
Appellant, een zelfstandig slager, ontving een WAZ-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde op basis van de fiscale winst over 2006 de uitkering bij en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug, omdat de stakingswinst van € 92.286,- als inkomen uit arbeid werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de fiscale winst als uitgangspunt geldt en dat geen bijzondere omstandigheden waren om daarvan af te wijken. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de fiscus de stakingswinst erkende en dat hij in loondienst was bij een nieuw opgerichte BV.
De Raad oordeelde dat de onderneming niet feitelijk was beëindigd, maar voortgezet in een andere juridische structuur via een holding en dochtervennootschappen. De fiscale winst van € 108.241,- werd terecht als inkomen uit arbeid aangemerkt. De brief van de Belastingdienst bevestigde dat de stakingswinst was omgezet in een lijfrentevoorziening.
Zelfs als het bedrag van € 92.286,- ten onrechte was betrokken, zou de mate van arbeidsongeschiktheid onder 25% zijn, waardoor de uitkering terecht werd teruggevorderd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het UWV werd niet in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de stakingswinst terecht als inkomen uit arbeid is aangemerkt en dat de terugvordering van de WAZ-uitkering terecht is.