ECLI:NL:CRVB:2011:BR4054

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6631 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • J. Riphagen
  • N.J.E.G. Cremers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet Sociale WerkvoorzieningZiektewet (ZW)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek geschikt voor eigen werk

Appellant was werkzaam als verpakkingsmedewerker A bij MultiBedrijven Rotterdam en viel op 10 september 2007 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Het dienstverband werd op 31 juli 2008 beëindigd. Na onderzoek door verzekeringsarts Mirzoyan werd op 13 november 2008 vastgesteld dat appellant vanaf 17 november 2008 geschikt was voor zijn laatst verrichte werk, waarna het Uwv het ziekengeld stopzette.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv verklaarde het bezwaar ongegrond op basis van een rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat zijn medische beperkingen onjuist waren beoordeeld. Hij bracht aanvullende medische informatie in van Riagg, een maatschappelijk werker en een psychotherapeut. De Raad overwoog echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en weloverwogen was, waarbij alle relevante medische informatie was betrokken.

De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van de eerdere conclusies dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk in het kader van de WSW. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk en het ziekengeld per 17 november 2008 wordt beëindigd.

Uitspraak

09/6631 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2009, 09/981 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uispraak: 3 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Rodríguez González, kantoorgenoot van mr. Oosterveen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) werkzaam bij MultiBedrijven Rotterdam in de functie van verpakkingsmedewerker A, toen hij op 10 september 2007 uitviel vanwege diverse lichamelijke- en psychische klachten. Per 31 juli 2008 is het dienstverband beëindigd.
1.2. Naar aanleiding van voormelde ziekmelding heeft appellant twee maal het spreekuur bezocht van de verzekeringsarts M. Mirzoyan, voor het laatst op 13 november 2008. Deze arts is na eigen onderzoek en verkregen informatie van de behandelend sector tot de conclusie gekomen dat appellant met ingang van 17 november 2008 geschikt kan worden geacht voor zijn laatst verrichte werk. Bij besluit van 13 november 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij dienovereenkomstig met ingang van 17 november 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Bij besluit van 11 februari 2009 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 november 2008, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 8 februari 2009, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep handhaaft appellant hetgeen hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Onder verwijzing naar de in hoger beroep ingebrachte informatie van de Riagg, van maatschappelijk werker A. Zarks en arts psychotherapeut B. Inal van respectievelijk 30 december 2009 en 10 juni 2011, benadrukt appellant dat het Uwv zijn medische beperkingen onjuist heeft beoordeeld. Appellant acht zich niet in staat arbeid te verrichten, ook niet in het kader van de WSW.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Naar het oordeel van de Raad is het medisch onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig en weloverwogen geweest. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de verzekeringsarts Mirzoyan appellant heeft onderzocht en daarbij beschikte over informatie van de huisarts, de neuroloog en de Riagg. De bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep heeft appellant eveneens onderzocht, daarbij uitgebreid aandacht besteed aan de reeds beschikbare informatie van de behandelend sector en de in bezwaar verkregen informatie van de psychiater P. van Loon van 13 januari 2009. Bij zijn oordeelsvorming beschikte Van der Stoep ook over de informatie van bedrijfsarts P. Hübner en hij heeft deze informatie kenbaar in zijn afweging betrokken. Hetgeen appellant in hoger beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een nader oordeel kunnen leiden. De door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de Riagg geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen. Uit voornoemde informatie valt geen andere meer omvattende diagnose af te leiden dan die welke door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, blijkens de rapportages van 13 november 2008 en 8 februari 2009, reeds is gehanteerd.
4.3. Ten aanzien van de ter zitting opgeworpen grief dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheids- alsmede het motiveringsbeginsel merkt de Raad op dat de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in de rapportages van 8 februari 2009,
6 april 2009 en 4 mei 2009 in voldoende mate heeft toegelicht dat appellant met inachtneming van zijn fysieke en psychische beperkingen, op de datum in geding, in staat moet worden geacht zijn arbeid in WSW-verband te verrichten.
5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
RK