ECLI:NL:CRVB:2011:BR3164
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Wubo-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogservaringen
Appellante, geboren in 1935 in Nederlands-Indië, diende meerdere aanvragen in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Alle aanvragen werden afgewezen omdat geen sprake was van blijvende lichamelijke of psychische invaliditeit als gevolg van haar oorlogservaringen, ondanks erkenning van het oorlogsgeweld.
De Raad overwoog dat de psychische klachten van appellante niet direct gerelateerd waren aan haar internering in Malang tijdens de Bersiap-periode, maar eerder samenhingen met eerdere angstige gebeurtenissen en persoonlijke omstandigheden zoals een slecht huwelijk. Ook waren er onvoldoende medische aanwijzingen om de darmklachten toe te schrijven aan haar oorlogservaringen.
Appellante voerde aan dat haar tweelingzus, met dezelfde ervaringen, wel een uitkering ontving, maar de Raad benadrukte dat medische beoordelingen individueel zijn. Het bestreden besluit liet het causaal verband met psychische klachten expliciet in het midden, maar stelde vast dat deze klachten niet leidden tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak bevestigt de noodzaak van individuele medische beoordeling en het ontbreken van bewijs voor blijvende invaliditeit door oorlogservaringen bij appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag Wubo-uitkering bevestigd wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit door oorlogservaringen.