ECLI:NL:CRVB:2011:BR1366
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WUBO-uitkering wegens ontbreken blijvende invaliditeit door oorlogservaringen
Appellante, geboren in 1943 in Nederlands-Indië, diende in 1992 en opnieuw in 2009 een aanvraag in voor een WUBO-uitkering. Beide keren werd haar verzoek afgewezen omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit door psychisch of lichamelijk letsel als gevolg van haar oorlogservaringen. De Raad baseerde zich op medische adviezen van geneeskundig adviseurs en recente rapporten van behandelend specialisten.
Tijdens de zitting op 26 mei 2011 werden familieleden van appellante gehoord. De Raad stelde vast dat appellante psychische klachten heeft door de oorlogservaringen, maar deze leiden niet tot blijvende invaliditeit in de zin van de WUBO. Ook de door appellante genoemde hart- en maagklachten werden niet als oorzakelijk verband met de oorlogservaringen erkend.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit deugdelijk was voorbereid en gemotiveerd. Het feit dat familieleden met soortgelijke ervaringen wel aanspraak maakten op de WUBO-uitkering, leidde niet tot een ander oordeel omdat de beoordeling individueel is. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van blijvende invaliditeit.