ECLI:NL:CRVB:2011:BR1145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onroerend goed in buitenland
Appellant ontving vanaf 1997 bijstand en bezat sinds 1992/1993 een woning in Marokko die hij niet aan het College heeft gemeld, waarmee hij zijn inlichtingenplicht schond. Na een onderzoek door het Internationaal Bureau Fraude-informatie bleek de woning een waarde te hebben van circa €46.000 in 1997 en €55.000 in 2008. Appellant verkocht de woning in 2006 voor een lager bedrag dan de getaxeerde waarde, maar gaf geen duidelijkheid over de besteding van de opbrengst.
Het College trok de bijstand over de periode 1997 tot 2008 in en vorderde de kosten terug, omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij zijn vermogen onder de vrij te laten grens hield en onvoldoende informatie gaf over zijn financiële situatie. Appellant voerde onder meer aan dat de taxatie onbetrouwbaar was en dat hij een schuld aan de Banque Populaire had, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Raad oordeelde dat het College terecht de waarde van de woning en het ontbreken van bewijs voor de schuld hanteerde, dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beroep van appellant werd verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.