ECLI:NL:CRVB:2011:BR0476
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand als alleenstaande, maar het College stelde vast dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met de hoofdbewoonster van de woning waar hij verbleef. Dit leidde tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2008. Na een eerdere afwijzing en bevestiging door de rechtbank, diende appellant een nieuwe aanvraag in waarbij hij verklaarde geen vast adres te hebben en afwisselend bij vrienden te verblijven. Het College deed daarop een onderzoek en concludeerde dat appellant nog steeds zijn hoofdverblijf had bij de hoofdbewoonster, waarop de aanvraag werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant het oordeel over het gezamenlijke hoofdverblijf en voerde aan dat er geen gezamenlijke financiële huishouding was. De Raad ging echter uit van het rechtsvermoeden dat bij gezamenlijke hoofdverblijf sprake is van een gezamenlijke huishouding en vond de door het College verzamelde feiten, waaronder het zevendagenformulier en telefonische verklaringen, overtuigend.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet gezamenlijk woonde met de hoofdbewoonster en bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is openbaar gedaan op 21 juni 2011.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.