ECLI:NL:CRVB:2011:BR0449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder vanaf juni 2003. Na een anonieme tip startte de gemeente een onderzoek naar een mogelijke gezamenlijke huishouding met haar partner, wat werd bevestigd door het feit dat zij samenwoonden en een kind kregen. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde €19.796,20 terug over de periode 15 juli 2005 tot 6 juni 2007.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding vanwege het ontbreken van wederzijdse zorg en verwees naar haar vrijspraak in een strafzaak. De Raad oordeelde dat het bestuursrechtelijk begrip gezamenlijke huishouding afhangt van het samenwonen en het delen van kosten of zorg, en dat de strafrechtelijke uitspraak niet bindend is voor het bestuursrecht.
De Raad concludeerde dat appellante gedurende de periode in kwestie niet als alleenstaande ouder kon worden aangemerkt en daarom geen recht had op bijstand volgens die norm. Het hoger beroep werd afgewezen en het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.