ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning AOW-pensioen vanaf november 2006 ondanks late aanvraag
Appellante, die sinds april 1997 in Nederland woont en pas in oktober 2007 een verblijfsvergunning kreeg, diende haar AOW-aanvraag in op 8 november 2007. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende haar pensioen toe met ingang van november 2006, waarna appellante bezwaar maakte met het argument dat zij vanwege haar medische situatie en langdurige procedure rond haar verblijfsstatus niet eerder kon aanvragen.
Zowel de rechtbank als de Raad oordeelden dat de omstandigheden van appellante niet kwalificeren als een bijzonder geval in de zin van artikel 16, tweede lid, AOW. De Raad stelde dat appellante ondanks haar medische toestand en verblijf zonder vergunning in staat was haar belangen te behartigen en juridische bijstand in te schakelen. Onbekendheid met het recht op pensioen werd niet als verschoonbaar gezien.
De Raad overwoog verder dat het ontbreken van een verblijfsvergunning geen belemmering vormt voor het aanvragen van AOW. Het wachten op de verblijfsvergunning kwam voor rekening van appellante. Daarom was het besluit van de Svb om het pensioen pas met ingang van november 2006 toe te kennen terecht.
De Raad wees ook een verzoek om vergoeding van proceskosten af en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem. De beslissing werd uitgesproken door voorzitter H.J. Simon op 24 juni 2011.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat het AOW-pensioen terecht met ingang van november 2006 is toegekend ondanks de late aanvraag van appellante.