ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-733 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene OuderdomswetAlgemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk Nederland en het Koninkrijk Marokko
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken verzekerings- en woonplaatsgegevens

Appellant, woonachtig in Marokko, heeft een aanvraag ingediend voor een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft de aanvraag afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld dat appellant in Nederland verzekerd was geweest of AOW-rechten had opgebouwd.

Appellant heeft onvoldoende gegevens over zijn verzekerings- en arbeidsverleden in Nederland verstrekt, ondanks herhaalde verzoeken van de Svb. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen de afwijzing ongegrond verklaard en de Centrale Raad van Beroep heeft dit oordeel bevestigd in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat appellant niet heeft bewezen ingezetene te zijn geweest of loonbelasting te hebben betaald over in Nederland verrichte arbeid. Ook kon appellant geen rechten ontlenen aan het verdrag sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko. De Svb heeft daarom terecht de AOW-uitkering geweigerd en het hoger beroep is verworpen.

Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een AOW-uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van verzekerings- en woonplaatsgegevens in Nederland.

Uitspraak

10/733 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant] wonende te Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 december 2009, 08/4919 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 24 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Svb heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 mei 2011. Appellant is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde N. Albouyaoui. Voor de Svb is verschenen mr. A. Marijnissen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, geboren in 1941, heeft op 29 november 2007 een aanvraag ingediend om toekenning van een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Daarbij heeft appellant summiere informatie overgelegd, waaronder enige stukken met betrekking tot de ziektekostenverzekering. De Svb heeft appellant meerdere malen verzocht om meer gegevens over zijn verzekerde tijdvakken in Nederland, maar dergelijke gegevens zijn door appellant niet verstrekt. Bij besluit van 13 juni 2008 is de aanvraag van appellant afgewezen. Vastgesteld is dat appellant in Nederland niet verzekerd is geweest
2.1. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij weer een stuk met betrekking tot de ziektekostenverzekering overgelegd.
2.2. Bij besluit op bezwaar van 12 november 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Geconcludeerd wordt dat appellant in Nederland nooit verzekerd is geweest en dat hij ook aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk Nederland en het Koninkrijk Marokko (NMV) geen rechten ingevolge de AOW kan ontlenen.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
4.1. In hoger beroep hebben partijen in essentie hun stellingen herhaald.
4.2. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de rechtbank, en de Svb, met recht hebben geoordeeld dat appellant geen recht heeft op een uitkering ingevolge de AOW.
4.3. Ter ondersteuning van zijn claim heeft appellant, ook na herhaald rappel, niet of nauwelijks gegevens overgelegd met betrekking tot zijn gesteldelijk in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid. Appellant heeft enkel gegevens overgelegd die betrekking hebben op de ziektekostenverzekering. Uit die stukken valt echter op geen enkele wijze af te leiden dat ze betrekking hebben op een ziektekostenverzekering van appellant.
4.4. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank, in het voetspoor van de Svb, terecht vastgesteld dat niet is gebleken dat appellant ingezetene is geweest dan wel ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen geweest. Nu ook niet gebleken is dat appellant anderszins verzekerd is geweest of
AOW-rechten heeft opgebouwd, moet worden geconcludeerd dat de Svb aan appellant met recht een uitkering ingevolge de AOW heeft geweigerd. Het hoger beroep is vergeefs ingesteld.
4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om één van de partijen te veroordelen in de proceskosten ingevolge artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 24 juni 2011.
(get.) H.J. Simon.
(get.) N.S.A. El Hana.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
TM