ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9163

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4839 AOW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens te late betaling griffierecht ongegrond verklaard

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam, maar werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Appellant betaalde het griffierecht pas na afloop van de termijn en had geen verzoek om uitstel van betaling ingediend.

In het verzet stelde appellant dat hij door omstandigheden niet in staat was om tijdig te betalen. De Raad oordeelde echter dat dit onvoldoende was omdat appellant zich niet vóór het verstrijken van de betalingstermijn tot de Raad had gewend met een verzoek om uitstel, en er geen bewijs was dat hij daartoe niet in staat was.

De Raad verklaarde het verzet ongegrond en besloot het te laat betaalde griffierecht terug te betalen aan appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter T.G.M. Simons op 7 juni 2011.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens te late betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/4839 AOW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 juli 2010, 09/5067 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank
Datum uitspraak: 7 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 3 december 2010 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 3 december 2010 heeft appellant verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 april 2011, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 3 december 2010 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 11 oktober 2010 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Het griffierecht is door de Raad op 15 december 2010, en daarmee buiten de gestelde termijn, ontvangen.
In het verzetschrift heeft appellant aangevoerd dat hij door omstandigheden niet in staat is geweest het griffierecht binnen de gestelde termijn te betalen.
De Raad vindt hierin geen grond voor het oordeel dat het verzuim niet aan appellant kan worden tegengeworpen. Daarvoor is doorslaggevend dat appellant zich niet vóór het verstrijken van de gestelde termijn waarbinnen het griffierecht moest worden betaald, tot de Raad heeft gewend met een verzoek om uitstel van betaling, terwijl niet is gebleken dat appellant daartoe niet in staat is geweest.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 111,-) zal door de griffier van de Raad aan appellant worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2011.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
KR
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
Déclare le recours non fondé.
Par conséquent, décidée par T.G.M. Simons en présence de D.W.M. Kaldenhoven en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 7 juin 2011.