ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8639

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-340 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang bij intrekking woningaanpassing

Appellante had een financiële tegemoetkoming toegekend gekregen voor woningaanpassingen aan een adres in een woonplaats, maar dit besluit werd per 1 maart 2006 ingetrokken door het College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam. De intrekking werd onherroepelijk verklaard door een eerdere uitspraak van de Raad in december 2010.

In hoger beroep stond een plan van aanpak voor de woningaanpassing en een correctie van het toegekende bedrag centraal. Echter oordeelde de Raad dat vanwege de onherroepelijke intrekking het hoger beroep feitelijk geen betekenis meer had voor appellante, waardoor het vereiste procesbelang ontbrak.

De Raad verwees naar vaste jurisprudentie waarin procesbelang vereist is om een beroep ontvankelijk te verklaren. Omdat het resultaat van het hoger beroep niet meer bereikt kon worden, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het College had tot 1 oktober 2011 een schikkingsvoorstel gedaan, maar dit werd door appellante afgewezen. De Raad stelde dat ook zonder dit aanbod het ontbreken van procesbelang leidde tot niet-ontvankelijkheid.

De uitspraak werd mondeling gedaan op 27 april 2011 door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L
van de mondelinge uitspraak op 27 april 2011
CENTRALE RAAD VAN BEROEP
enkelvoudige kamer
Zitting heeft: mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, lid van de enkelvoudige kamer griffier: P.J.M. Crombach
1e Zaak, reg.nr: 07/340 WVG
Inzake: [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam, (hierna: College).
Ter zitting heeft appellante zich laten vertegenwoordigen door dr. mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam. Voor het College is verschenen mr. J.C. Smit, werkzaam bij het College.
De voorzitter zet uiteen dat de zaak begon met een aanvraag om woningaanpassingen – die zijn toegekend bij besluit van 20 december 2002 – voor een bedrag van € 36.531,-- inclusief BTW. Onderwerp van geschil in hoger beroep is de brief van 11 april 2005. In deze brief worden in het kader van deze woningaanpassingen een aantal werkzaamheden voorgesteld waarbij een verhoging van het bedrag is vermeld naar € 40.067,43 inclusief BTW. Het bezwaar tegen deze brief is niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank Amsterdam heeft daar een oordeel over gegeven: deels is de brief wel een besluit, deels niet. Tegen het deel dat wel als besluit wordt aangemerkt waren geen gronden ingebracht door appellante, dus heeft de rechtbank de niet-ontvankelijkheid – althans de rechtsgevolgen daarvan – in stand gehouden. Het thans aanhangige geschil is beperkt tot de ontvankelijkheid van het bezwaar en thans ook de vraag of er procesbelang is. Standpunten zijn al eerder uitgewisseld bij de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep (hierna: Raad).
Het toenmalige schikkingsvoorstel van het College is door appellante op twee gronden afgewezen. Ten eerste was appellante het niet eens over de wijze van betaling en ten tweede wil appellante tegemoetkoming in de meerkosten bestaande uit stijging van de prijzen en een dubbele huur.
(…)
De Raad stelt vast dat het College - ongeacht de uitspraak van de Raad in dit geding - tot 1 oktober 2011 bereid is een schikking met appellante aan te gaan onder de voorwaarden zoals verwoord in de notitie van DZS van 15 oktober 2008 en bevestigd in de brief van de Afdeling Bezwaar en Beroep van 12 januari 2009 met dien verstande dat het College ook nog bereid is een vergoeding te overwegen voor de kosten die verband houden met een prijsstijging (voor de eerder toegekende en nadien weer ingetrokken woningaanpassingen) vanaf 2005, mits daarvoor een onderbouwing blijkt uit de door het College goed te keuren offerte. Het aanbod betekent onder meer dat het tijdstip en de wijze van betaling niet ter discussie staan. Na 1 oktober 2011 vervalt het aanbod voor een schikking.
(…)
Naar aanleiding van het hoger beroep heeft de Raad het volgende overwogen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2006, LJN AV7610, is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en aan het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
De Raad is van oordeel dat appellante niet over het vereiste procesbelang beschikt. Het besluit van 20 december 2002 tot toekenning van een financiële tegemoetkoming in de kosten van aanpassing van de woning aan de [adres ] te [woonplaats] is bij besluit van 5 augustus 2005 van het College per 1 maart 2006 ingetrokken. Deze intrekking is door de uitspraak van de Raad van 8 december 2010 in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de uitkomst van het hoger beroep, dat betrekking heeft op een plan van aanpak voor bedoelde woningaanpassing en een correctie van het daarvoor toegekende bedrag, voor appellante feitelijk geen betekenis meer kan hebben. Ook overigens is niet van enig procesbelang gebleken.
Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens vervallen procesbelang.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Waarvan proces-verbaal.
Utrecht, 27 april 2011
De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.
P.J.M. Crombach G.M.T. Berkel-Kikkert
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.