ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8500
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs van woonplaats
Appellant vroeg bijstand aan op basis van een opgegeven woonadres waar hij sinds september 2008 zou verblijven. Tijdens een intakegesprek en huisbezoek bleek dat appellant slechts enkele persoonlijke bezittingen had op dat adres en geen sleutel van de woning bezat. Bankafschriften werden pas vanaf medio november 2008 op het adres ontvangen. Het College wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke woonplaats.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ontbreken van persoonlijke bezittingen en het niet betalen van huur duiden op het ontbreken van een hoofdverblijf op het opgegeven adres. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel woonde op het adres en dat de verhuizing nog niet was afgerond, en dat hij later bewijsstukken zou aanleveren.
De Raad volgde de rechtbank en vond dat het onderzoek en het huisbezoek voldoende grond boden om te concluderen dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij feitelijk woonde op het opgegeven adres. Het feit dat appellant in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven en bankafschriften op het adres ontving, was onvoldoende. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag bijstand wordt afgewezen omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres.