ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bijstandsuitkering wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellante, een Turkse nationaliteit houdende vreemdeling, vroeg bijstand aan met ingang van 18 oktober 2006, maar het College van B&W van Eindhoven wees dit aanvankelijk af. Na bezwaar werd bijstand toegekend vanaf 16 november 2007, de datum waarop appellante zich officieel had gemeld bij het CWI. De periode voorafgaand aan deze datum werd afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden die terugwerkende kracht rechtvaardigen.
Appellante stelde in hoger beroep dat zij zich eerder had gemeld en dat psychische problemen en het ontbreken van een geldig identiteitsbewijs de registratie hiervan belemmerden. Tevens voerde zij aan dat zij schulden had aangegaan om in haar noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, wat bijzondere omstandigheden zou kunnen vormen.
De Raad overwoog dat bijstand voorafgaand aan de datum van melding in principe niet wordt toegekend, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Omdat appellante pas vanaf 18 oktober 2006 rechtmatig verblijf had en pas daarna tot de kring van rechthebbenden behoorde, was eerdere melding juridisch kansloos. Verder concludeerde de Raad dat de door appellante aangevoerde schulden niet konden worden aangemerkt als een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting, mede omdat de herkomst van kasstortingen onduidelijk bleef.
Daarom was er geen grond om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.