ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7962

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5356 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.J. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 WAOArt. 57 WAO
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens inkomsten als zelfstandig stukadoor

Appellant ontving een WAO-uitkering die per 1 juni 2009 werd beëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Het UWV stelde bij besluit vast dat appellant over de periode 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 onterecht een hogere uitkering ontving, omdat hij inkomsten had uit werkzaamheden als zelfstandig stukadoor. Hierdoor werd de uitkering verlaagd en werd terugvordering van € 13.887,16 opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat zijn inkomsten tot verrekening van de uitkering konden leiden. Het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel stonden de terugvordering niet in de weg, mede omdat de definitieve belastingaanslag pas laat bij het UWV bekend was.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant verplicht was zijn inkomsten te melden en dat het UWV terecht de uitkering had verlaagd. Ook was er geen dringende reden om van terugvordering af te zien, hoewel rekening werd gehouden met de financiële positie van appellant. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

10/5356 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 augustus 2010, 10/270 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. F. Bakker, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. F. Bakker. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant ontving voordat zijn uitkering per 1 juni 2009 werd beëindigd vanwege het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2.1. Bij besluit van 16 oktober 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 een lagere WAO-uitkering krijgt uitbetaald gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, hij over deze periode ten onrechte € 13.887,16 aan uitkering heeft ontvangen en dat hij dit bedrag moet terugbetalen aan het Uwv.
2.2. Bij het besluit van 16 februari 2010 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2009 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn inkomsten als zelfstandig stukadoor zouden kunnen leiden tot verrekening van zijn WAO-uitkering. Het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel verzetten zich volgens de rechtbank in het onderhavige geval niet tegen de terugvordering met terugwerkende kracht. De definitieve belastingaanslag over het jaar 2007 was bij het Uwv pas op 29 september 2009 bekend. Appellant heeft de in geding zijnde inkomsten niet betwist en het Uwv is verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. Van dringende redenen is volgens de rechtbank niet gebleken.
4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft zijn gronden in hoger beroep herhaald. Het Uwv heeft volgens appellant te lang gewacht om tot de verrekening over te gaan. Appellant heeft ter zitting aangegeven dat hij nooit heeft aangegeven dat hij zou stoppen met zijn werkzaamheden, maar heeft aangegeven dat hij minder zou gaan werken.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. In geding is de vaststelling van het Uwv van een lagere WAO-uitkering over de periode van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 vanwege inkomsten uit arbeid en de terugvordering van de (onverschuldigd) betaalde uitkering door het Uwv.
5.3. Op grond van artikel 80 van Pro de WAO is de verzekerde verplicht inlichtingen te verstrekken waarvan redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze invloed kunnen hebben op het recht of de hoogte van de uitkering. In het jaar 2006 kwam de WAO-uitkering van appellant niet tot uitbetaling vanwege zijn jaarwinst in 2006. Uit de ook aan appellant verstrekte rapportages van de verzekeringsarts van 7 juli 2006 en de arbeidsdeskundige van 15 januari 2007 blijkt dat vanwege de mededeling van appellant dat hij zou stoppen met zijn werkzaamheden de arbeidsdeskundige tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake meer was van een resterende verdiencapaciteit en de uitkering per 1 januari 2007 weer diende worden uitbetaald naar een mate van arbeidongeschiktheid van 80 tot 100%. Vaststaat dat appellant in 2007 zijn werkzaamheden als stukadoor heeft voortgezet. De Raad is van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij de inkomsten had moeten opgeven bij het Uwv. De Raad is dan ook van oordeel dat het Uwv de uitkering op goede gronden heeft verlaagd en is evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv niet heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De definitieve belastingaanslag over het jaar 2007 was bij het Uwv pas op 29 september 2009 bekend en het Uwv heeft bij besluit van 16 oktober 2009 de uitkering herzien.
5.4. Op grond van artikel 57 van Pro de WAO is het Uwv verplicht de uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Het Uwv mag alleen van terugvordering afzien als sprake is van een dringende reden. Een dringende reden is er als het gevolg van de terugvordering onaanvaardbaar is. Door appellant is bij brief van 12 april 2010 aangegeven dat zijn inkomsten ontoereikend zijn voor zijn kosten. Ter zitting is gebleken dat het Uwv bij de invordering met de financiële positie van appellant rekening houdt en dat de invordering momenteel op nihil is gesteld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er geen dringende reden voor het Uwv is om van terugvordering af te zien.
5.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.4 worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2011.
(get.) H.J. Simon.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM