ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering ondanks latere gezondheidsverslechtering
Appellante was sinds augustus 2006 arbeidsongeschikt door een carpaal tunnelsyndroom en ontwikkelde later een posttraumatische stressstoornis met depressieve klachten. De verzekeringsarts beperkte haar in het hanteren van stressvolle situaties en stelde een functionele mogelijkhedenlijst (FML) op met beperkingen, waaronder een maximale werkweek van 36 uur. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies met een inkomensverlies van circa 8%.
Het UWV besloot op 29 juli 2008 dat appellante geen recht had op een WIA-uitkering per 21 augustus 2008. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering over de juiste functies, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betoogde appellante dat zij meer beperkt was, onderbouwd met medische stukken over multipele herseninfarcten in 2010.
De Raad volgde de bezwaarverzekeringsarts die stelde dat de beperkingen per 21 augustus 2008 juist waren vastgesteld en dat de latere verslechtering geen aanleiding gaf tot herziening. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank over de beperkingen en de passende functies. Appellante is sinds 16 december 2010 wel in aanmerking gekomen voor een WIA-uitkering op basis van haar gewijzigde gezondheidssituatie.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering per 21 augustus 2008 op basis van voldoende medische en arbeidskundige gronden.