ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7696

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-969 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, een allround elektromonteur, viel uit wegens peesletsel en psychische decompensatie. Het UWV stelde dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daarom geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn aandoeningen zoals ADD, persoonlijkheidsstoornis en een belastende thuissituatie hem verhinderen loonvormende arbeid te verrichten. Hij stelde dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hadden gehouden met zijn beperkingen en wees op medische rapporten en een indicatiebesluit voor begeleiding.

De Raad overwoog dat de rechtbank de gronden van appellant juist had beoordeeld en dat de medische rapporten geen aanleiding gaven om het standpunt van het UWV te verwerpen. De geselecteerde functies waren passend en medisch geschikt. De verklaring van de cardioloog had geen betrekking op de situatie ten tijde van het geschil. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/969 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 december 2009, 09/1905 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 juni 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.M.W.A. van der Hoeven, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingezonden en rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige. Het Uwv heeft voorts een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 10 januari 2007 met peesletsel van de rechter hand uitgevallen voor zijn werkzaamheden als allround elektromonteur. Tijdens zijn ziektewetperiode is appellant in psychische zin gedecompenseerd.
1.2. Het Uwv heeft bij besluit van 12 december 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 13 maart 2009 (hierna: het bestreden besluit), vastgesteld dat voor appellant ingaande 7 januari 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit besluit berust op het standpunt dat appellant vanwege ADD en een persoonlijkheidsstoornis NAO beperkt is in zijn belastbaarheid en over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt. Het Uwv heeft appellant ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar wel geschikt geacht voor andere gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is op grond van een theoretische schatting berekend op 31,41%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische grondslag. Zij heeft daartoe overwogen dat de verzekeringsartsen bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant rekening hebben gehouden met de informatie van behandelaars en door hen vastgestelde diagnostiek, en dat uit de in beroep in geding gebrachte medische stukken niet is gebleken dat appellant meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv genoegzaam heeft aangetoond dat de voor appellant geselecteerde functies in medisch opzicht zowel als wat betreft het opleidingsniveau voor hem geschikt zijn.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij vanwege zijn aandoeningen - dysthemie, ADD en PDD-NOS en het Asperger syndroom - almede een belastende thuissituatie geen loonvormende arbeid kan verrichten. De verzekeringsartsen hebben, zo stelt appellant, onvoldoende rekening gehouden met de uit die aandoeningen voortvloeiende beperkingen. Appellant heeft erop gewezen dat hij niet in staat is zijn dagelijks leven te structureren en organiseren zonder externe begeleiding. Hij wijst ter onderbouwing naar rapporten van psychiater K. van de Auwera van 12 februari en
8 maart 2010, de bevindingen van zijn behandelaars en een indicatiebesluit voor ondersteunende begeleiding van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De verzekeringartsen zijn naar zijn mening onvoldoende deskundig wat de materie van zijn aandoeningen betreft om een adequaat oordeel te geven over zijn functionele mogelijkheden. Onder verwijzing naar een verklaring van cardioloog dr. J. Vos van 29 maart 2010 heeft appellant aangevoerd dat hij recent een hartinfarct heeft ondergaan dat mede veroorzaakt is door de ingezette re-integratie. Appellant acht de voor hem geselecteerde functies niet geschikt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de bij haar naar voren gebrachte gronden, die in hoger beroep zijn herhaald, op juiste wijze besproken en heeft zij op juiste wijze gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank. In de in hoger beroep ingezonden rapporten van de psychiater Van de Auwera en de verklaring van de cardioloog ziet de Raad geen aanwijzingen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant niet juist heeft vastgesteld. De Raad wijst er in dit verband op dat bezwaarverzekeringsarts mr. J.T.J.A. Kleijn in zijn rapport van
7 april 2010 heeft toegelicht dat de beperkingen en mogelijkheden zoals die door psychiater Van de Auwera zijn aangegeven in zijn rapporten aansluiten bij de voor appellant vastgestelde beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De Raad heeft geen aanleiding om het standpunt van Kleijn niet te onderschrijven. De Raad voegt daar aan toe dat de verklaring van cardioloog Vos niet ziet op de medische situatie van appellant ten tijde in geding noch een ander licht werpt op appellants belastbaarheid ten tijde in geding.
4.2. Uitgaande van de juistheid van de in de FML weergegeven belastbaarheid is de Raad van oordeel dat de geselecteerde functies, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in de ‘notities functiebelasting’ van 20 november 2008, de notitie van 11 februari 2009 en de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 juni 2009, 7 mei 2010 en 22 september 2010. In het rapport van 7 mei 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige verder genoegzaam toegelicht dat de geselecteerde functies gezien de vereiste opleiding en ervaring voor appellant passend zijn.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
KR