ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid op 17e verjaardag
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering, gebaseerd op arbeidsongeschiktheid op haar zeventiende verjaardag. Het UWV stelde dat zij destijds wel psychische klachten had, maar niet zodanig beperkt was dat zij minder dan 75% van het maatmanloon kon verdienen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat de beoordeling moet plaatsvinden op basis van de destijds geldende bepalingen van de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wajong. Het ging om de vraag of appellante op 28 januari 1980 arbeidsongeschikt was en dit minimaal 52 weken bleef. Rapporten en verslagen uit latere jaren (2004-2006) konden niet worden meegewogen voor de situatie in 1980-1981.
De Raad vond het oordeel van het UWV terecht dat de beperkingen van appellante toen niet zodanig waren dat zij niet in staat was om 75% van het maatmanloon te verdienen. De psychiater Kazemier stelde dat de ernst van haar aandoeningen zich pas na 1981 ontwikkelde. Appellante was tot ongeveer 2000 werkzaam geweest, wat de Raad als bewijs zag dat zij toen nog kon deelnemen aan het arbeidsproces.
Daarmee faalt het hoger beroep en wordt de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de Wajong-uitkering bevestigd.