ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische urenbeperking
Appellante was sinds 1999 in aanmerking gekomen voor een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55 tot 65%. Het UWV trok deze uitkering in 2008 in, met ingang van januari 2009, en herzag dit besluit in 2009 met ingang van juli 2009. De rechtbank oordeelde dat de medische gegevens, waaronder de Functionele Mogelijkheden Lijst van november 2008, voldoende waren om de intrekking te rechtvaardigen en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde appellante dat haar verhoogde rustbehoefte en psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de intrekking van de urenbeperking onvoldoende was gemotiveerd. Zij betwistte ook de geschiktheid van de functies waarop de arbeidsongeschiktheidsschatting was gebaseerd. Het UWV stelde dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd en dat haar gronden een herhaling waren van eerdere bezwaren.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat appellante onvoldoende nieuwe medische gegevens had ingebracht om twijfel te zaaien over de eerdere beoordeling. De medische urenbeperking werd niet noodzakelijk geacht, mede omdat appellante in een arbeidspatroon van 17,5 uur per week werkte en geen behandeling meer onderging voor psychische klachten. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medische grondslag voor urenbeperking.