ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5067
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAZ-uitkering zonder dringende reden tot kwijtschelding
Appellant ontving sinds 1999 een WAZ-uitkering die later onverschuldigd bleek te zijn betaald vanwege gewijzigde arbeidsongeschiktheid en inkomsten uit arbeid. Het UWV vorderde terugbetaling van ruim €26.000, waarbij appellant bezwaar maakte met het argument dat terugvordering onaanvaardbare financiële en sociale gevolgen zou hebben.
De rechtbank wees het beroep van appellant af en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad oordeelde dat terugvordering een wettelijke verplichting is en alleen bij dringende redenen kan worden afgezien van terugvordering. Appellant kon niet concreet aantonen dat de terugvordering tot onaanvaardbare gevolgen leidt.
De Raad benadrukte dat de financiële situatie van appellant weliswaar moeilijk kan zijn, maar dat dit onvoldoende is voor kwijtschelding. De aflossingscapaciteit wordt door het UWV beoordeeld met inachtneming van de beslagvrije voet. Eventuele bezwaren tegen de invordering dienen via een apart bezwaarproces te worden ingediend. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de terugvordering gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.