ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant, die een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, meldde zich op 2 maart 2009 ziek. Op 2 juli 2009 werd hem medegedeeld dat hij met ingang van 8 juli 2009 geen ziekengeld meer zou ontvangen omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. Dit besluit werd op 31 juli 2009 bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, mede op basis van de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat appellant geschikt was voor arbeid.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de bezwaarverzekeringsarts terecht als maatstaf voor de arbeid één van de functies heeft gehanteerd die volgens de Wet WIA als geschikt voor appellant zijn aangemerkt. De psychosociale klachten van appellant waren volgens de medische rapporten niet van dien aard dat hij ongeschikt zou zijn voor deze functies.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter Ch. van Voorst, in aanwezigheid van griffier R.L. Venneman.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt wordt geacht zijn arbeid te verrichten.