ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5056

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2615 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid

Appellant, die een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, meldde zich op 2 maart 2009 ziek. Op 2 juli 2009 werd hem medegedeeld dat hij met ingang van 8 juli 2009 geen ziekengeld meer zou ontvangen omdat hij niet langer ongeschikt werd geacht voor arbeid. Dit besluit werd op 31 juli 2009 bevestigd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, mede op basis van de rapportages van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts, die concludeerden dat appellant geschikt was voor arbeid.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. De Raad benadrukte dat de bezwaarverzekeringsarts terecht als maatstaf voor de arbeid één van de functies heeft gehanteerd die volgens de Wet WIA als geschikt voor appellant zijn aangemerkt. De psychosociale klachten van appellant waren volgens de medische rapporten niet van dien aard dat hij ongeschikt zou zijn voor deze functies.

De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de eerdere uitspraak en bevestigde het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door rechter Ch. van Voorst, in aanwezigheid van griffier R.L. Venneman.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij geschikt wordt geacht zijn arbeid te verrichten.

Uitspraak

10/2615 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 april 2010, 09/1439 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Brauer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft zich per 2 maart 2009, toen hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld
2. Bij besluit van 2 juli 2009 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 8 juli 2009 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Bij besluit van 31 juli 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de door de huisarts op 13 mei 2009 verstrekte informatie. De rechtbank acht niet gebleken van informatie op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat appellant per 8 juli 2009 geschikt moet worden geacht zijn arbeid te verrichten.
5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen reden voor een ander oordeel. De Raad merkt in dit verband nog op dat de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij in het rapport van 30 juli 2009 terecht als maatstaf arbeid heeft gehanteerd één van de functies die bij de beoordeling in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 3 november 2008 als geschikt voor appellant zijn aangemerkt. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 25 juni 2009 genoegzaam uiteengezet dat appellants psychosociale klachten niet van dien aard zijn dat hij als gevolg daarvan niet geschikt zou zijn voor vorenbedoelde functies.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Venneman.
TM