ECLI:NL:CRVB:2011:BQ5036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van het verlies van recht op Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eigen arbeid
Appellante, laatst werkzaam als groepleidster, meldde zich arbeidsongeschikt wegens diverse lichamelijke klachten en ontving aanvankelijk een WW-uitkering. Na een wachttijd werd haar een WIA-uitkering geweigerd omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld en zij geschikt werd geacht voor functies volgens de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 15 november 2006.
Na een nieuwe ziekmelding in verband met een knieoperatie en overige klachten, besloot het UWV dat zij vanaf 12 september 2008 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en door de rechtbank Haarlem, die oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en appellante geschikt was voor lichte, overwegend zittende werkzaamheden.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar rugklachten haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden, maar de Raad overwoog dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende had gemotiveerd dat haar belastbaarheid niet was afgenomen ten opzichte van de FML van 2006. Ook de nieuwe medische gegevens bevestigden dat de geduide functies niet rugbelastend zijn en rekening is gehouden met haar darmklachten en herstel van de knieoperatie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellante geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering wordt bevestigd.