ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4181

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1875 WWB-T
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • H.D. Stout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWBArt. 21 lid 6 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid en terugvordering met herstelplicht

Appellante ontving bijstand sinds 1980 en werd vanaf 1 december 2001 geacht schoonmaakwerkzaamheden te verrichten zonder dit te melden, wat een schending van de inlichtingenverplichting opleverde. Na onderzoek door sociale recherche en getuigenverklaringen besloot het College de bijstand over de periode 1 december 2001 tot 31 oktober 2005 in te trekken en de kosten terug te vorderen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het College bevoegd was het besluit te nemen en dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om de schending vast te stellen. Appellante kon niet aantonen dat zij ondanks de inkomsten toch bijstand behoefde.

Wel stelde de Raad vast dat de terugvordering ten onrechte het gehele jaar 2001 omvatte in plaats van alleen december 2001. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit voor zover het de terugvordering over 2001 betreft en droeg het College op binnen zes weken het besluit te herstellen. De Raad kon zelf niet in de zaak voorzien vanwege onvoldoende gegevens en gaf het College opdracht een nieuw besluit te nemen.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd, maar de terugvordering wordt beperkt tot december 2001; het College moet het besluit binnen zes weken herstellen.

Uitspraak

09/1875 WWB-T
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 februari 2009, 08/648 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Landgraaf (hierna: College)
Datum uitspraak: 19 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2011. Voor appellante is verschenen mr. E.J.L. van de Glind, kantoorgenoot van mr. Dacier. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.M. Maayen, werkzaam bij de gemeente Landgraaf.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sedert 1980 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Op 3 januari 2005 en 1 februari 2005 heeft de sociale recherche van de gemeente Landgraaf anonieme tips ontvangen dat appellante werkzaamheden verricht. In het kader van het daarop ingestelde onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand zijn in de periode van 19 oktober 2005 tot en met 18 november 2005 observaties verricht bij de woning van appellante. Daarbij hebben de sociaal rechercheurs appellante gevolgd naar haar bestemmingen. In de periode van 21 november 2005 tot en met 8 februari 2006 zijn de bewoners van deze adressen als getuigen gehoord. Ook appellante is verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 9 februari 2006.
1.3. Naar aanleiding van deze rapportage heeft het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Brunssum Onderbanken en Landgraaf (hierna: ISD BOL) bij besluit van 1 oktober 2007 de bijstand van appellante over de periode van
1 december 2001 tot en met 31 oktober 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 63.000,31 van appellante teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante in genoemde periode inkomsten uit arbeid heeft genoten waarvan zij geen mededeling heeft gedaan aan de afdeling sociale zaken.
1.4. Bij besluit van 25 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 1 oktober 2007 gegrond verklaard voor zover sprake is van een bevoegdheidsgebrek - daarin bestaande dat niet het Dagelijks Bestuur van ISD BOL maar het College het bevoegde orgaan is - onder gelijktijdig herstel van dit gebrek. Voor het overige heeft het College het bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 maart 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het bevoegdheidsgebrek met de beslissing op bezwaar is gerepareerd en dat op grond van het door de sociale recherche ingestelde onderzoek genoegzaam is komen vast te staan dat appellante in de periode in geding “zwart” heeft gewerkt.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft zij in het bijzonder aangevoerd dat zij recht heeft op (aanvullende) bijstand omdat zij met haar inkomsten niet volledig in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad overweegt met betrekking tot het besluit van 25 maart 2008 - ambtshalve -, afgaande op hetgeen ter zitting daaromtrent nog is verklaard, dat dit besluit bevoegd is genomen.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellante vanaf 1 december 2001 op regelmatige basis schoonmaakwerkzaamheden heeft verricht in een aantal woningen en daarvoor vergoedingen heeft ontvangen. Evenals de rechtbank acht de Raad daarvoor doorslaggevend de zeven getuigenverklaringen en de eigen verklaringen van appellante. Van deze werkzaamheden en de daarmee verworven inkomsten heeft appellante geen melding gemaakt aan het College. Daarmee heeft appellante de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Appellante had redelijkerwijs moeten begrijpen dat de werkzaamheden en de inkomsten van invloed konden zijn op haar recht op bijstand.
4.3. Als gevolg van deze schending is niet meer vast te stellen of en, zo ja, in welke mate appellante gedurende de in geding zijnde periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Het lag op de weg van appellante aannemelijk te maken dat dit anders was. Appellante heeft echter niet aan de hand van aantoonbare verifieerbare gegevens opheldering verschaft over de omvang van de werkzaamheden en de daarmee gepaard gaande verdiensten.
4.4. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 december 2001 tot en met 31 oktober 2005 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College bij de afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
4.5. Het vorenstaande brengt mee dat aan appellante over de periode van 1 december 2001 tot en met 31 oktober 2005 ten onrechte bijstand is verleend. Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is het College bevoegd om de kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen. Met het College is de Raad van oordeel dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien geen sprake is.
4.6. Het College heeft bij de terugvordering het gehele jaar 2001 meegenomen, terwijl alleen de maand december van dat jaar bij de terugvordering betrokken had moeten worden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover betrekking hebbend op de terugvordering. Het College zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.
4.7. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 25 maart 2008 niet in stand worden gelaten en kan de Raad, nu thans te weinig gegevens beschikbaar zijn, evenmin zelf in de zaak voorzien. De Raad ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Draagt het College op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit op bezwaar van 25 maart 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2011.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) B. Bekkers.
IJ