ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4112

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 mei 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-476 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • K.J. Kraan
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbCAO-VO artikel 4b.3 sub g.
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang na schikking over beëindiging dienstverband

Appellante was door de stichting voor bepaalde tijd aangesteld als lerares en kreeg te horen dat haar aanstelling niet werd verlengd. Tegen het besluit tot beëindiging van haar dienstverband stelde zij beroep in bij de rechtbank, waar partijen op 1 september 2009 een schikking bereikten. De stichting zou een gewijzigde Akte van Ontslag verstrekken en een bedrag van €966,- betalen.

De stichting heeft de Akte van Ontslag toegezonden en het bedrag betaald, maar appellante trok haar beroep niet in. De rechtbank verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang. In hoger beroep stelde appellante dat er geen schriftelijke en ondertekende overeenkomst was en dat de ontslagakte niet correct was ondertekend.

De Raad oordeelt dat de schikking ter zitting rechtsgeldig is gesloten en dat de stichting haar verplichtingen is nagekomen. Het argument dat de ontslagakte onbevoegd was ondertekend door een lid van het College van Bestuur in plaats van de schooldirectie faalt, omdat alleen het bestuur bevoegd is tot ontslagbesluiten. De Raad bevestigt daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang na schikking.

Uitspraak

10/476 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2009, 08/4928, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de [Naam Stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], (hierna: stichting)
Datum uitspraak: 4 mei 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De stichting heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2011. Appellante is niet verschenen. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Quaak, werkzaam bij de stichting.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante is met ingang van 24 september 2007 voor bepaalde tijd, doch uiterlijk tot einde schooljaar, door de stichting aangesteld als lerares aan de openbare scholengemeenschap [naam scholengemeenschap]. Bij brief van april 2008 heeft de stichting aan appellante meegedeeld dat de aanstelling per 1 augustus 2008 niet zal worden verlengd. Aan appellante is tevens op 25 april 2008 een Akte van Ontslag gezonden, waarop als reden voor de beëindiging was vermeld: "volgens de CAO-VO, artikel 4b.3 sub g."
Bij het bestreden besluit van 31 oktober 2008 heeft de stichting dit besluit gehandhaafd.
1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 31 oktober 2008 beroep ingesteld. De rechtbank heeft dit beroep behandeld ter zitting van 1 september 2009. Tijdens deze zitting zijn partijen overeengekomen dat het geschil zou worden beëindigd als volgt: de stichting verstrekt aan appellante een gewijzigde Akte van Ontslag, waarin is opgenomen dat het dienstverband is beëindigd wegens einde tijdelijke aanstelling, en betaalt aan appellante een bedrag van € 966,-.
1.3. De stichting heeft op 18 september 2009 aan appellante een Akte van Ontslag toegezonden met als reden voor de beëindiging: "einde tijdelijke aanstelling" en het bedrag van € 966,- aan appellante overgemaakt. Bij brief van 28 september 2009 heeft appellante aan de rechtbank bericht dat het beroep niet werd ingetrokken. Na hernieuwde behandeling ter zitting op 11 december 2009 heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen processueel belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.
2. Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat partijen alleen gebonden zijn aan schriftelijke en door hen ondertekende afspraken, waarvan hier geen sprake is. Er is dus ook geen overeenkomst tot beëindiging van het geschil gesloten.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad stelt vast dat partijen op 1 september 2009 ter zitting van de rechtbank een schikking hebben bereikt. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de stichting, na overleg met appellante, verklaard wat zij van haar kant zou doen en dat de zaak op grond daarvan wordt beëindigd. Voorts is in het proces-verbaal opgenomen dat de gemachtigde van appellante deze verklaring van de stichting bevestigt. Van de kant van de stichting is hetgeen in die schikking is toegezegd nagekomen. Op grond hiervan heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat met betrekking tot het bestreden ontslagbesluit geen geschil meer bestond en dat het beroep tegen dat besluit om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
3.2. Namens appellante is blijkens de gedingstukken ook nog het standpunt ingenomen dat de stichting de beëindigingsovereenkomst niet correct heeft uitgevoerd, omdat de nieuwe ontslagakte niet namens de stichting is ondertekend door de directeur van de school, maar door een lid van het College van Bestuur van de stichting. De Raad is van oordeel dat niet aannemelijk is dat door partijen is afgesproken dat de gewijzigde ontslagakte zou worden ondertekend door de schooldirectie, niet alleen omdat het proces-verbaal daarvan geen melding maakt, maar ook omdat dit zou hebben geleid tot een onbevoegd getekende ontslagakte. Zoals de stichting ter zitting heeft aangegeven, is niet de schooldirectie, maar uitsluitend het bestuur van de stichting, bevoegd tot het nemen en ondertekenen van ontslagbesluiten.
4. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2011.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) K. Moaddine.
HD