ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2712

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-410 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor eerder geduide functies

Appellant ontving tot 7 augustus 2007 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke werd ingetrokken omdat hij niet langer als arbeidsongeschikt werd beschouwd. Vervolgens meldde appellant zich op 17 maart 2008 ziek vanuit een WW-uitkeringssituatie. Op 6 juni 2008 werd hem medegedeeld dat hij geen recht meer had op een Ziektewetuitkering omdat hij geschikt werd geacht voor eerder geduide functies.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 5 augustus 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank Utrecht bevestigde dit oordeel, waarbij zij de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts doorslaggevend achtte, mede omdat appellant geen tegenbewijs aanleverde.

De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De Raad acht de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts voldoende onderbouwd, mede gezien de informatie van de huisarts en het ontbreken van specialistische behandeling voor psychische klachten. Ook de stelling dat appellant niet zelfredzaam zou zijn en daarom geen duurzaam benutbare mogelijkheden zou hebben, wordt door de Raad verworpen op basis van het rapport van 15 april 2010.

De Raad ziet geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen en bevestigt deze. Tevens worden geen proceskosten toegekend aan appellant. De uitspraak is gedaan op 27 april 2011 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd omdat appellant geschikt wordt geacht voor eerder geduide functies.

Uitspraak

10/410 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 december 2009, 08/2725 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.L. Plas, advocaat te Utrecht , hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2011.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Plas.
Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft tot 7 augustus 2007 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van voormelde datum is die uitkering ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de WAO.
2. Appellant heeft zich op 17 maart 2008 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
3. Bij besluit van 6 juni 2008 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 10 juni 2008 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat hij op en na deze datum geschikt wordt geacht voor de eerder geduide functies.
4. Bij besluit van 5 augustus 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond verklaard.
5. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de door de (bezwaar) verzekeringsarts opgestelde rapportages, De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel, bijvoorbeeld in de vorm van medische gegevens, door appellant niet zijn aangereikt.
6. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de uitkomst van het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts destijds de beschikking had over informatie van de huisarts. De met inachtneming van die informatie door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie dat de psychische klachten en beperkingen van appellant vooral voorvloeien uit de sociale problematiek van appellant acht de Raad voldoende onderbouwd. Nu appellant destijds voor zijn psychische klachten niet onder specialistische behandeling was, bestond voor de bezwaarverzekeringsarts ook geen aanleiding om terzake nadere informatie in te winnen. Uit de informatie van de huisarts is verder gebleken dat het met de buikklachten van appellant bij gebruik van medicatie duidelijk beter ging, hetgeen werd bevestigd door de onderzoeksbevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts blijkt verder dat bij onderzoek op 6 juni 2008 de psoriasis rustig bleek te zijn. Dat appellant niet zelfredzaam zou zijn en om die reden hier sprake zou zijn van een situatie waarin sprake is van “ Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden”, heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 april 2010 afdoende weerlegd.
7. Uit hetgeen is overwogen onder 6 volg dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
8. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissinig is uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
TM