ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0343

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2433 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.J. van der Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 7:15 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering na deskundigenrapport leidt tot toekenning volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zijn WAO-uitkering werd herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 28 november 2007. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep benoemde de Raad een psychiater als deskundige om de mate van arbeidsongeschiktheid te onderzoeken.

Op basis van het rapport van de psychiater wijzigde het UWV haar standpunt en stelde de arbeidsongeschiktheid alsnog vast op 80 tot 100%. Hierdoor bestond er geen geschil meer over de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad vernietigde het eerdere besluit en herroept het besluit van 4 oktober 2007, waardoor appellant recht houdt op de oorspronkelijke WAO-uitkering.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten aan appellant, waaronder rechtsbijstand en reiskosten, en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. Vergoeding van kosten in bezwaar werd afgewezen wegens ontbreken van een verzoek voorafgaand aan het bestreden besluit.

Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt hersteld op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid en het eerdere besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

09/2433 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 maart 2009, 08/1322
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.F.A. Cadot, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2010, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cadot voornoemd. Voor het Uwv is verschenen
J.B. Snoek.
Na de behandeling ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De Raad heeft het onderzoek heropend en bepaald dat appellant wordt onderzocht door B.J. van Eyk, psychiater.
Bij brief van 28 oktober 2010 heeft het Uwv op het door psychiater Van Eyk uitgebrachte rapport van 9 augustus 2010 gereageerd.
Vervolgens hebben partijen desgevraagd toestemming als bedoeld in artikel 8: 57 van de Algemene wet bestuursrecht voor het achterwege laten van een nader onderzoek ter zitting.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 31 januari 2008 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2007, waarbij het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 28 november 2007 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
3.2. In hoger beroep heeft de Raad B.J. van Eyk, psychiater, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek.
3.3. Naar aanleiding van de uitgebrachte rapportage van psychiater Van Eyk heeft het Uwv bij schrijven van 28 oktober 2010 de Raad bericht thans het standpunt in te nemen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per de datum in geding, zijnde 28 november 2007, alsnog op 80 tot 100% gesteld wordt en heeft de Raad verzocht om, gelet op het nader ingenomen standpunt van het Uwv, zelf in de zaak te voorzien
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Gelet op het gewijzigde standpunt van het Uwv, zoals bij brief van 28 oktober 2010 is meegedeeld, stelt de Raad vast dat er geen geschil meer bestaat tussen partijen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak vernietigd moet worden en dat het beroep gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaard moet worden met vernietiging van dat besluit.Gelet op het verzoek van het Uwv bij brief van 28 oktober 2010, ziet de Raad voorts aanleiding om met toepassing van 8:72, vierde lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het besluit van 4 oktober 2007 te herroepen. Dit betekent dat per datum in geding, zijnde 28 november 2007, de aan appellant toekomende WAO-uitkering ongewijzigd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% wordt berekend.
5. Met betrekking tot de gevraagde vergoeding van proceskosten overweegt de Raad als volgt. De toekenning en hoogte van een proceskostenveroordeling is exclusief geregeld in artikel 8:75 van Pro de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Deze regeling kent een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden, is de Raad niet gebleken. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 644, - en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 644,- , in totaal € 1.288,-. Nu in beroep en hoger beroep een bewijs van toevoeging krachtens de Wet op de Rechtsbijstand is afgegeven en de Raad geen bewijs van intrekking van toevoeging in de gedingstukken heeft aantroffen, zoals aangekondigd in de brief van de gemachtigde van
7 december 2010, dient het bedrag aan proceskosten te worden betaald aan de griffier van de Raad.
Voorzover is verzocht om vergoeding van kosten in bezwaar voor verleende rechtsbijstand, overweegt de Raad dat overeenkomstig artikel 7:15 van Pro de Awb uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende. De Raad heeft in de gedingstukken noch van appellant noch diens gemachtigde een verzoek om vergoeding van kosten in bezwaar kunnen ontwaren, dat is gedaan voorafgaand aan het besluit van 31 januari 2008. Deze kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de door appellant gemaakte reiskosten in beroep ten bedrage van € 5,20 en in hoger beroep ten bedrage van € 19,10, totaal € 24,30. De door appellant verzochte vergoeding in de kosten van informatieverstrekking door de huisarts in eerste aanleg tot een bedrag van € 44,86, komt niet voor vergoeding in aanmerking. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat van een dergelijke informatieverstrekking uit de gedingstukken niet blijkt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 gegrond en vernietigt dit besluit;
Herroept het besluit van 4 oktober 2007;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.312,30, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
6 april 2011.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR