ECLI:NL:CRVB:2011:BQ0104

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3046 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig onderzoek

Appellant, voormalig servicemonteur, viel uit vanwege locomotore klachten gerelateerd aan een auto-ongeval uit 1994. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen WIA-uitkering werd toegekend.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische en arbeidskundige gronden zorgvuldig waren vastgesteld en geen aanleiding gaven tot twijfel aan de belastbaarheid. Appellant voerde in hoger beroep aan dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen vanwege verslechterde gezondheid.

De Raad overwoog dat de medische grondslag zorgvuldig was en dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen zelfs had aangescherpt. Er waren geen objectieve medische gegevens die de stelling van appellant ondersteunden. Ook was er geen noodzaak voor een urenbeperking. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; appellant heeft geen recht op WIA-uitkering.

Uitspraak

10/3046 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 20 april 2010, 08/1476 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 4 februari 2011 heeft appellant een nader stuk aan de Raad ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.G.M. Huijs.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was voorheen werkzaam als servicemonteur/onderhoudsmonteur buitendienst. Hij is op 15 mei 2006 uitgevallen in verband met locomotore klachten in het linker bekkengebied, samenhangend met een hem in 1994 overkomen auto-ongeval.
2. Appellant is op 20 maart 2008 in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) onderzocht door verzekeringsarts J.T.H.M. Jagt. Na lichamelijk onderzoek en met meeweging van medische informatie met betrekking tot het auto-ongeval in 1994, heeft Jagt geconcludeerd dat de beperkingen van appellant op het functioneel-locomotore vlak liggen en met name de regio bekken-onderrug betreffen. Appellant is gebaat bij goede houdings- en bewegingsvariatie en er dient rekening gehouden te worden met mindere souplesse vanuit onderrug/bekken/heupen. Fysiek lichtere bezigheden met bewegingsvariatie danwel regelmogelijkheden zijn daarbij passend. De verzekeringsarts heeft zijn bevindingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 20 maart 2008. Vervolgens heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek bij besluit van
3 april 2008 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 12 mei 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA, daar de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.
3.1. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen, die aanwezig was bij de hoorzitting, mede op basis van de door appellant overgelegde medische stukken geconcludeerd dat appellant aanvullend beperkt is te achten ten aanzien van schroefbewegingen en werken boven schouderhoogte. Tevens heeft Tjen in de overgelegde medische informatie aanleiding gezien om appellant aanvullend beperkt te achten ten aanzien van inprenting, afleidbaarheid en complexiteit van taken. Ten aanzien van de door appellant bepleite urenbeperking heeft Tjen aangegeven dat daarvoor vanuit energetisch of preventief oogpunt bezien geen argumenten zijn om daaraan tegemoet te komen. Op 25 juli 2008 heeft Tjen de FML aangepast in de hiervoor aangegeven zin.
3.2. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjens heeft in verband met de aangepaste FML in zijn rapport van 7 augustus 2008 functies laten vervallen en functies bijgeduid. De schatting heeft Leentjens gebaseerd op de functies controleur, tester elektronische apparatuur (sbc-code 267060), productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) en wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050). De signaleringen in die functies heeft Leentjens toegelicht. Het verlies aan verdienvermogen heeft hij berekend op 24%. Hierna heeft het Uwv bij besluit van 12 augustus 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 april 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om de eindconclusies van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet gebleken is dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten, op de datum in geding niet in staat was te achten om - binnen de voor hem geldende beperkingen vallende - werkzaamheden te verrichten. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geoordeeld dat de wijze waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden en het eindresultaat daarvan in overeenstemming zijn met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de anderszins daaraan te stellen eisen.
5. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat een urenbeperking aangenomen had moeten worden. De ernst van zijn - de afgelopen jaren verslechterde - gezondheidssituatie komt volgens appellant onvoldoende tot uiting in de FML.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. De Raad heeft geen aanleiding over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Daarbij heeft de Raad in de eerste plaats in aanmerking genomen dat ook naar zijn oordeel de medische grondslag op een zorgvuldig onderzoek berust. Evenmin ziet de Raad aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. De bezwaarverzekeringsarts heeft op grond van zijn onderzoeksbevindingen en de ingebrachte medische informatie de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid op enkele onderdelen nog wat aangescherpt. Ook in hoger beroep is niet kunnen blijken van objectief -medische gegevens die steun verlenen aan de stelling van appellant dat de aldus aangescherpte FML onvoldoende recht doet aan zijn medische beperkingen. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts overtuigend heeft gemotiveerd dat, als er rekening wordt gehouden met de vastgestelde afzonderlijke beperkingen, er geen noodzaak is om daarnaast nog een urenbeperking aan te nemen. De Raad merkt in dit verband tot slot nog op dat een eventuele verslechtering van appellants gezondheidssituatie na de datum in geding voor de onderhavige beoordeling buiten beschouwing dient te worden gelaten.
6.3. Uitgaande aldus van de juistheid van de voor appellant vastgestelde belastbaarheid heeft de Raad ook geen aanknopingspunten de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant medisch niet geschikt te achten.
6.4. De overwegingen 6.2 en 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen
CVG