ECLI:NL:CRVB:2011:BP8472

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-355 WAZ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 1 Bpb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskosten na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond betreffende een besluit van het UWV. Tijdens de procedure nam het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij het volledig tegemoetkwam aan de bezwaren van appellante. Naar aanleiding daarvan trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in de proceskosten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV inderdaad geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen en dat appellante recht had op vergoeding van de kosten die zij redelijkerwijs had moeten maken in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep. De proceskosten werden begroot op een totaalbedrag van € 2.095,46, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep en reiskosten.

De Raad wees erop dat appellante het griffierecht rechtstreeks bij het UWV kon claimen. Daarnaast werden bepaalde kosten zoals verletkosten van de partner en correspondentie-/bureaukosten afgewezen wegens wettelijke beperkingen. De uitspraak werd gedaan door rechter G. van der Wiel op 18 maart 2011.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.095,46 aan proceskosten aan appellante.

Uitspraak

06/355 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 december 2005, 05/390 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2007, op 20 februari 2009 en op 23 april 2010.
De Raad heeft bij tussenuitspraak 25 juni 2010 het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit van
22 februari 2005 te herstellen.
Het Uwv heeft op 20 september 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brieven van 26 oktober 2010 en 30 december 2010 heeft mr. Staal namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 28 januari 2011 verweer gevoerd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 20 september 2010 geheel aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep, € 1.288,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en € 163,46 aan reiskosten, derhalve in totaal € 2.095,46.
Ten aanzien van de geclaimde verletkosten voor de partner van appellante overweegt de Raad dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen alleen al omdat artikel 1, onder d, van het Bpb slechts voorziet in de mogelijkheid verletkosten te vergoeden aan een partij of een belanghebbende.
Met betrekking tot de correspondentie-/bureaukosten is de Raad ten slotte van oordeel dat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen, gelet op de limitatieve opsomming in artikel 1, onder e, van het Bpb. Overigens zijn deze kosten reeds begrepen in de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand.
De Raad overweegt voorts dat appellante zich voor vergoeding van het griffierecht rechtstreeks tot het Uwv kan wenden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.095,46.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2011.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) T.J. van der Torn.
NK