ECLI:NL:CRVB:2011:BP7939

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3199 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Riphagen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die de intrekking van haar WAO-uitkering bevestigde. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had de uitkering ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan 15%, wat niet langer recht gaf op WAO.

De Raad heeft het hoger beroep behandeld zonder aanwezigheid van appellante en haar gemachtigde. Na bestudering van het dossier en de medische en arbeidskundige rapporten, waaronder de Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 maart 2008, concludeerde de Raad dat er geen nieuwe feiten of objectieve medische gegevens waren die het eerdere oordeel konden wijzigen.

De Raad onderschreef de rechtbank in haar oordeel dat de functies waarop het besluit is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

De Raad zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, waarmee de zaak definitief werd afgesloten.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/3199 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 23 april 2010, 08/1255 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn – met bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1. Op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 9 oktober 2007, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 maart 2008 (hierna: het bestreden besluit), de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 november 2007 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe – wederom – aangevoerd dat zij zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld en dat zij de functies niet kan vervullen.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de vanwege het Uwv vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 4 maart 2008.
4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor vindt de Raad terug in het rapport van de arbeidsdeskundige van 28 september 2007 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 maart 2008. De Raad wijst ter zake tevens naar hetgeen de rechtbank in overweging 14 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2011.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M.D.F. de Moor.
IvR