ECLI:NL:CRVB:2011:BP7885
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inhouding bijstand en vakantietoeslag
Verzoeker, een bijstandsgerechtigde, had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam waarin een terugvordering van € 9.577,56 was opgelegd. Na diverse beslissingen en een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde, stelde het College een maandelijkse inhouding van € 13,76 op de bijstand en vakantietoeslag in om de vordering te verrekenen.
Verzoeker vroeg de Centrale Raad van Beroep om een voorlopige voorziening om deze inhoudingen te verbieden in afwachting van de uitspraak in hoger beroep. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van verzoeker niet spoedeisend genoeg was om een voorlopige voorziening te rechtvaardigen. De inhouding en het niet-uitbetalen van de vakantietoeslag konden worden afgewacht tot de hoofdzaak was beslist.
Ook het feit dat verzoeker het niet eens was met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar vormde geen grond voor een voorlopige voorziening, omdat dit in de hoofdzaak aan de orde kon komen. De voorzieningenrechter wees het verzoek af en legde geen proceskosten op.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen inhouding op bijstand en vakantietoeslag wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.