ECLI:NL:CRVB:2011:BP7854

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4418 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7:10 Awbartikel 9, eerste lid, WWB
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vergoeding immateriële schade bij overschrijding redelijke termijn in bezwaarfase WWB

Appellante ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verzocht om ontheffing van arbeidsverplichtingen. Het College van burgemeester en wethouders van Haarlem weigerde dit aanvankelijk, maar herzag dit besluit na bezwaar. Appellante stelde beroep in tegen het herzieningsbesluit en vorderde schadevergoeding wegens de overschrijding van de beslistermijn.

De rechtbank wees het beroep ongegrond en wees de schadevergoeding af. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de overschrijding van de beslistermijn een termijn van orde betreft en dat vergoeding van materiële schade alleen mogelijk is indien voorafgaand een verzoek is gedaan. Appellante had dit niet gedaan.

Verder oordeelde de Raad dat artikel 6 EVRM Pro alleen ziet op redelijke termijn bij rechterlijke procedures en niet op bestuursrechtelijke bezwaarprocedures. Omdat het geschil niet aan de rechter was voorgelegd na de bezwaarfase, kon appellante geen aanspraak maken op vergoeding van immateriële schade. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Hoger beroep ongegrond, geen vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn in bezwaarfase.

Uitspraak

10/4418 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 juli 2010, 10/1753 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 25 januari 2011. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellante is met ingang van 7 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend.
1.2. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het College geweigerd aan appellante ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB.
1.3. Bij besluit van 9 maart 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2006 gegrond verklaard en dit besluit herroepen.
1.4. Appellante heeft tegen het besluit van 9 maart 2010 beroep ingesteld bij de rechtbank. Daartoe is aangevoerd dat voorafgaand aan dit besluit ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden en dat bij dit besluit ten onrechte niet is beslist tot vergoeding van de door appellante als gevolg van het onrechtmatige besluit van 17 januari 2006 geleden schade.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van schade afgewezen.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij afwijzend is beslist op haar verzoek om vergoeding van schade. Appellante stelt zich op het standpunt dat aanleiding bestaat tot vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van de forse overschrijding van de termijn waarbinnen het College op haar bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2006 had moeten beslissen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de beslistermijn, genoemd in artikel 7:10 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, een termijn van orde. Aan de overschrijding daarvan heeft de wetgever, behoudens de mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op het bezwaar beroep in te stellen, geen andere gevolgen verbonden dan - in voorkomende gevallen - de mogelijkheid van vergoeding van materiële schade. De Raad stelt vast dat appellante voorafgaand aan het besluit van 9 maart 2010 het College niet heeft verzocht om schadevergoeding. De Raad volgt appellante derhalve niet in haar standpunt dat bij dit besluit op bezwaar ten onrechte niet over het toekennen van schadevergoeding is beslist. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd over de door haar gewenste vergoeding van materiële schade buiten de reikwijdte van het besluit op bezwaar valt. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante zich ter verkrijging van de door haar gewenste schadevergoeding rechtstreeks moet richten tot het College. Daarbij tekent de Raad nog aan dat appellante tot op heden geen duidelijkheid heeft gegeven over de gestelde geleden materiële schade.
4.2. Voor zover appellante zich in hoger beroep op het standpunt stelt dat aanleiding bestaat voor vergoeding van de door haar geleden immateriële schade als gevolg van de schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), overweegt de Raad het volgende. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 28 april 2009, LJN BI2748, heeft artikel 6 van Pro het EVRM betrekking op de behandeling binnen een redelijke termijn door de rechter en niet op de behandeling van een bezwaarschrift door een bestuursorgaan. Aan artikel 6 van Pro het EVRM kan geen aanspraak worden ontleend in de situatie waarin sprake is van een (te) lange behandelingsduur in de bezwaarfase zonder dat het geschil daarna aan de rechter is voorgelegd. Nu het besluit van 9 maart 2010 in hoger beroep geen onderwerp van geschil is, kan het - mogelijke - beroep van appellante op artikel 6 van Pro het EVRM niet tot vergoeding van immateriële schade leiden.
4.3. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.R.K.A.M. Waasdorp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) J.R.K.A.M. Waasdorp.
RB