ECLI:NL:CRVB:2011:BP7198

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2726 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk

Appellant was van 1 november 2004 tot 1 september 2006 werkzaam bij de Roteb en meldde zich op 24 september 2007 ziek met psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts op 5 november 2007 en beoordeling van medische stukken, waaronder rapportages van psychiater Barreto en sociaal psychiatrisch verpleegkundige Verheijden, werd appellant per 6 november 2007 geschikt geacht voor zijn eigen werk.

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot daarom op 5 november 2007 het recht op een Ziektewet-uitkering te beëindigen. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard door het Uwv op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond na zorgvuldige toetsing.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat zijn klachten werden onderschat en dat werken onder zijn niveau zijn klachten verergerde. De Raad overwoog echter dat de medische informatie en onderzoeken gezamenlijk voldoende grond boden om te concluderen dat appellant per 6 november 2007 geschikt was voor zijn eigen werk. Verzekeringsgeneeskundige protocollen zijn niet van toepassing bij Ziektewet-beoordelingen. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en het besluit van het Uwv.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant per 6 november 2007 geschikt was voor zijn eigen werk en geen recht meer had op een Ziektewet-uitkering.

Uitspraak

09/2726 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 april 2009, 08/1062 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 maart 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. drs. M.J. Hüsen, advocaat te Rotterdam.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2011.
Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. drs. Hüsen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant was van 1 november 2004 tot 1 september 2006 werkzaam bij de Roteb als medewerker BST multidiensten. Op 24 september 2007 heeft appellant zich vanuit de situatie van werkloosheid ziek gemeld met recidiverende psychische klachten. In het kader van deze ziekmelding is appellant gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts op 5 november 2007. Deze heeft appellant na eigen onderzoek en met inachtneming van in dossier aanwezige informatie van 28 juni 2007 van de appellant behandelende psychiater A. Fonseca Barreto (hierna: Barreto) van BAVO Europoort per
6 november 2007 geschikt geacht voor zijn eigen werk. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 5 november 2007 appellant medegedeeld dat hij met ingang van 6 november 2007 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 11 februari 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 november 2007, in navolging van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts van 7 februari 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep - na schorsing van het onderzoek in verband met de door appellant overgelegde nieuwe medische informatie van psychiater M.A. de Pater-Zijlstra van 19 augustus 2008 (hierna: De Pater) - ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek, gelet op de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts haar conclusie heeft onderbouwd, voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen zodat er geen reden is tot het benoemen van een deskundige.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat de ernst van zijn klachten is onderschat. Volgens appellant blijkt uit de informatie van zijn behandelaars van BAVO Europoort dat werken onder zijn niveau deze klachten versterkt en niet heilzaam is. Hij wijst er verder op dat hij al op 29 oktober 2007 weer contact heeft gezocht met zijn behandelaar van BAVO Europoort. Appellant heeft voorts een beroep gedaan op het verzekeringsgeneeskundig protocol Depressieve stoornis.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Onder “zijn arbeid” wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ongeschiktheid feitelijk verrichte werk.
4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd. De Raad ziet daarin geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsarts en de medische stukken in het dossier - waaronder met name de informatie van psychiater Barreto van 28 juni 2007 en van sociaal psychiatrisch verpleegkundige F. Verheijden van 2 februari 2008 - in onderlinge samenhang bezien voldoende grondslag bieden voor het standpunt dat appellant per de datum in geding van 6 november 2007 geschikt te achten is voor zijn werk. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts zoals achtereenvolgens verwoord in de rapportages van 7 februari 2008, 5 juni 2008 en 24 november 2008, dat uit deze medische informatie blijkt dat er sprake is van depressieve klachten die in de loop van de tijd erger zijn geworden, maar dat deze klachten rond de datum in geding - blijkens het onderzoek door de primaire verzekeringsarts op 5 november 2007 - niet zodanig ernstig waren dat appellant daarmee zijn eigen werk niet zou kunnen doen. Appellant is voorts met deze klachten, die - zo blijkt uit de informatie van psychiater Barreto - spelen sinds 2003, gedurende langere tijd in staat geweest zijn eigen werk te verrichten. Dat dit werk onder zijn niveau zou zijn maakt ook naar het oordeel van de Raad niet dat hij, medisch objectief gezien, niet in staat zou zijn deze werkzaamheden te verrichten. De in beroep en hoger beroep overgelegde informatie van respectievelijk psychiater De Pater van 19 augustus 2008 en sociaal psychiatrisch verpleegkundige Verheijden van 23 april 2008 werpt naar het oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak. De Raad onderschrijft in dit verband hetgeen daaromtrent door de bezwaarverzekeringsarts in de rapportages van respectievelijk 29 september 2008 en 30 juni 2009 is verwoord. Uit deze stukken valt af te leiden dat er sprake is van een verslechtering vanaf omstreeks januari 2008. De in het dossier aanwezige medische informatie biedt echter ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanknopingspunten om die situatie ook van toepassing te achten op
6 november 2007.
Wat betreft het verzekeringsgeneeskundig protocol verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 mei 2009, LJN BI3737 waarin de Raad heeft geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen geen toepassing vinden bij een ZW-beoordeling. Hetgeen hieromtrent is aangevoerd behoeft dan ook geen nadere bespreking
5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.
(get.) A.A.H. Schifferstein.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM