ECLI:NL:CRVB:2011:BP4885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat dit gebrek in de beroepsfase was hersteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid onjuist was, mede vanwege medicatiegebruik en de belastbaarheid in de geduide functies. Tevens stelde hij dat het contact tijdens de hoorzitting met de bezwaarverzekeringsarts niet prettig was en hij zich niet gehoord voelde.
De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunten kenbaar te maken tijdens de hoorzitting en dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd met recente medische gegevens. Het medicatiegebruik werd meegewogen, waarbij de Raad oordeelde dat dit niet leidde tot zwaardere beperkingen. De functies werden als geschikt beoordeeld.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en wees het hoger beroep af. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.