ECLI:NL:CRVB:2011:BP4849

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 februari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1644 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem, waarin het beroep tegen het besluit van het UWV tot herziening van zijn WAO-uitkering ongegrond werd verklaard. Het UWV had de uitkering herzien van 80-100% naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 7 maart 2009.

De Raad heeft de overwegingen van de rechtbank onderschreven en geen aanleiding gezien tot een ander oordeel. Appellant bracht geen wezenlijk nieuwe medische gegevens in die de vastgestelde beperkingen betwijfelen. De bezwaarverzekeringsarts bevestigde de psychische en fysieke beperkingen, waaronder een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, artrose en gewichtsproblemen, en concludeerde dat de cardiologische klachten en slaapapneu voldoende waren meegenomen.

De Raad achtte de functies waarop het besluit is gebaseerd medisch geschikt voor appellant, ondanks zijn beperkingen. De arbeidsdeskundige rapporten ondersteunen dit oordeel. Appellants argumenten over ongeschiktheid vanwege knielen, hurken en mobiliteitsproblemen werden verworpen. De Raad concludeert dat appellant zelfstandig gebruik kan maken van openbaar vervoer en de functie van administratief medewerker kan vervullen.

Het hoger beroep faalt en de Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

10/1644 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 februari 2010, 09/2771 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 februari 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Bouwman, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij besluit van 7 januari 2009, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 5 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit), de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 7 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft daartoe – wederom – aangevoerd dat hij zwaarder beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld en dat hij de functies niet kan vervullen.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ter grondslag heeft gelegd. In hoger beroep heeft appellant geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de vanwege het Uwv vastgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 10 december 2008. Daarin zijn zowel psychische als forse fysieke beperkingen opgenomen. De bezwaarverzekeringsarts is in haar rapporten van 28 april 2009 en 24 november 2009 uitgebreid ingegaan op de stelling van appellant dat hij zwaarder beperkt is. De Raad volgt de inhoud van deze rapporten. Zo is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat de aangenomen psychische beperkingen aansluiten bij de in bezwaar verkregen informatie van psychiater dr. H.N. Sno van 11 april 2009, die melding maakt van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Met de artrose en gewichtsproblemen is voorts voldoende rekening gehouden en een verminderde conditie dient volgens de bezwaarverzekeringsarts buiten de beoordeling te blijven omdat dit trainbaar is. De cardiologische klachten van appellant zijn eveneens betrokken bij de vaststelling van de belastbaarheid, en voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts niet kunnen concluderen dat er sprake is van een ernstige vorm van slaapapneu. Dat appellant niet gebruik kan maken van het openbaar vervoer blijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts niet uit de geobjectiveerde afwijkingen en tot slot wordt een urenbeperking niet geïndiceerd, zolang maar rekening wordt gehouden met de forse beperkingen van appellant.
4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad, met de rechtbank, voorts van oordeel dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor ziet de Raad in het rapport van de arbeidsdeskundige van 6 januari 2009 en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 november 2009, waarin is ingegaan op de in beroep aangevoerde bezwaren. De stelling van appellant dat de functies ongeschikt zijn omdat hij niet in staat is te knielen en te hurken volgt de Raad niet, nu op deze aspecten blijkens de functiebeschrijvingen geen belasting voorkomt die de belastbaarheid van appellant te boven gaat. Appellants standpunt dat de locatie waarop de functie van administratief medewerker (beginnend) (sbc-code 315090) dient te worden vervuld niet kan worden bereikt gelet op zijn mobiliteitsbeperkingen kan niet worden gevolgd. Appellant is immers niet beperkt op het aspect vervoer en wordt derhalve in staat geacht zelfstandig gebruik te kunnen maken van het openbaar vervoer. In meergenoemde functie dient voorts uitsluitend in telefonisch en schriftelijk contact omgegaan te worden met conflicten, waartoe appellant niet beperkt is.
4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
NK