ECLI:NL:CRVB:2011:BP2547
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering na maximale anticumulatieperiode van drie jaar
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap, ontving sinds 23 september 2004 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV trok deze uitkering bij besluit van 15 mei 2007 in, omdat appellant in staat werd geacht zijn inkomsten duurzaam te verwerven. Na bezwaar werd dit besluit niet gehandhaafd, omdat de maximale driejarige periode van inkomstenverrekening nog niet verstreken was.
Uit arbeidskundige rapporten bleek dat appellant gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar werkzaamheden op het gebied van management, beheer en administratie verrichtte, die als reële arbeid moesten worden beschouwd. Het salaris dat hij daarvoor ontving, werd als inkomsten uit arbeid aangemerkt. Hoewel appellant per 1 januari 2008 stopte met zijn ondernemingen, oordeelde de Raad dat dit feit niet relevant was voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van de WAZ.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en stelde dat geen medische redenen bestonden om te concluderen dat appellant de verrichte werkzaamheden niet langer kon volhouden. De Raad wees erop dat na afloop van de driejarige anticumulatieperiode niet meer hoeft te worden getwijfeld aan de capaciteiten van de verzekerde om de arbeid voort te zetten.
Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de intrekking van de WAZ-uitkering gehandhaafd. De Raad zag geen aanleiding om partijen in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering per 1 januari 2008 wordt bevestigd na afloop van de maximale driejarige anticumulatieperiode.