ECLI:NL:CRVB:2010:BO9326
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag buitengewoon invaliditeitspensioen wegens ontbreken bewijs gevangenschap in kamp Vught
Appellante vroeg een buitengewoon invaliditeitspensioen aan op grond van haar stelling dat zij tijdens de Tweede Wereldoorlog gevangen zou zijn gezet en gemarteld in kamp Vught, waardoor zij invalide raakte. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af na onderzoek door de Stichting 1940-1945, die geen bewijs vond voor haar gevangenschap in kamp Vught. De Raad bevestigde dat kamp Vught pas in 1943 in gebruik was genomen, terwijl de huiszoeking waarbij zij gevangen zou zijn genomen in 1942 plaatsvond.
Appellante kon haar stellingen niet onderbouwen met concrete gegevens en haar enkele verklaring werd niet als voldoende bewijs gezien. Ook de verklaring van haar broer dat zij nooit gevangen was genomen, werd meegewogen. De Raad concludeerde dat appellante niet tot de categorieën van personen behoorde die volgens de wet aanspraak kunnen maken op het pensioen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de verzetsactiviteiten van haar oom zich buiten haar leefwereld afspeelden en dat de arrestatie van haar vader niet verband hield met verzetsactiviteiten. De medische grieven van appellante werden niet inhoudelijk beoordeeld omdat de feitelijke grondslag ontbrak. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van aannemelijk bewijs van gevangenschap in kamp Vught.