ECLI:NL:CRVB:2010:BO9100

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5377 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945

Appellant, erkend als vervolgingsslachtoffer vanwege internering tijdens de Japanse bezetting, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. De Pensioen- en Uitkeringsraad weigerde deze uitkering, stellende dat de psychische en lichamelijke klachten van appellant niet het gevolg zijn van de internering.

Appellant voerde aan dat hij al 50 jaar rugklachten heeft die wel verband houden met zijn internering en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De Raad heeft het medisch dossier en de adviezen van de geneeskundig adviseurs van verweerster zorgvuldig bestudeerd en vond geen aanleiding om aan hun conclusies te twijfelen.

De medische beoordeling concludeerde dat de rugklachten het gevolg zijn van een constitutionele scoliose en slijtage, niet van de internering. Ook de huisarts van appellant kon geen objectief causaal verband aantonen. De Raad oordeelde dat het beroep ongegrond is en wees een vergoeding van proceskosten af.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2010.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/5377 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Spanje (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 16 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 17 juli 2009, kenmerk BZ 48395, JZ/S70/2009, genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2010. Appellant is niet verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1933 in het voormalige Nederlands-Indië, is wegens zijn internering in diverse kampen tijdens de Japanse bezetting erkend als vervolgde op grond van de Wuv. Bij besluit van 30 december 2008 is aan hem met ingang van 1 december 2007 een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Op de aanvraag voor een periodieke uitkering is hierbij afwijzend beslist. Het tegen die afwijzing gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
1.2. Aan de weigering een periodieke uitkering te verstrekken ligt ten grondslag het op basis van medische advisering door verweerster ingenomen standpunt dat de in verband met de internering staande psychische klachten niet leiden tot beperkingen en dat de lichamelijke klachten (rug-, oog- en oorklachten) geen gevolg zijn van de oorlogs-omstandigheden.
2.1. In beroep heeft appellant, onder verwijzing naar informatie van zijn huisarts, met name naar voren gebracht dat het onderzoek door de geneeskundig adviseur van verweerster onzorgvuldig is geweest, dat hij al 50 jaar rugklachten heeft, dat deze wel een gevolg zijn van de internering en dat deze hem gedurende ongeveer 6 weken per jaar invalideren.
2.2. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1. De Raad kan appellant niet volgen in zijn grief dat het bestreden besluit berust op onzorgvuldig medisch onderzoek. Tijdens het persoonlijk onderhoud met de genees-kundig adviseur G. Kho in december 2008 heeft blijkens het rapport daarvan geen lichamelijk onderzoek plaatsgevonden, omdat daarvoor geen indicatie was. Appellant heeft zelf bij dit onderzoek aangegeven dat er tijdens de militaire keuring voor de marine scoliose bij hem is ontdekt en dat hij daarop is afgekeurd. Dit is ook vermeld in het sociaal rapport, opgemaakt in juni 2008. De geneeskundig adviseur heeft vastgesteld dat die aandoening geen gevolg is van de internering, maar constitutioneel van aard is. Uit een door appellant in bezwaar ingediend verslag van een recente röntgenfoto is gebleken dat de dorsale wervelkolom zonder scoliose is, maar dat er discrete tekenen van slijtage zijn te zien. Voor het verdwijnen van de scoliose van appellant wordt door de genees-kundig adviseur van verweerster een plausibele mogelijke verklaring gegeven, namelijk het verdwijnen van een aanvankelijk beenlengteverschil tijdens de (laatste centimeters) groei. De conclusie dat sprake is van periodes van voorbijgaande rugklachten, ofwel lumbago, wordt volgens deze arts bevestigd door de geringe afwijkingen aan de wervelkolom. Er is slechts sprake van discrete tekenen van slijtage.
3.2. De Raad heeft in de door appellant in bezwaar en in beroep ingebrachte informatie van zijn huisarts geen aanleiding gevonden om aan de bevindingen en conclusies van de geneeskundig adviseurs van verweerster te twijfelen. De rugklachten van appellant zijn zorgvuldig in kaart gebracht en ook de huisarts heeft geen objectieve onderbouwing kunnen geven voor een causaal verband met de interneringsperiode. Ook nu zijn er slechts geringe slijtageverschijnselen en dan nog in het halswervelgebied en niet in het lendewervelgebied, waar de klachten van appellant optreden.
4. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.
5. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD