ECLI:NL:CRVB:2010:BO9084
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek periodieke uitkering Wuv wegens onvoldoende nieuwe feiten
Appellante, geboren in 1931, diende in 1998 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), welke werd afgewezen omdat geen ziekten of gebreken waren vastgesteld die verband hielden met vervolging. Een bezwaar hiertegen werd eveneens ongegrond verklaard. In 2004 en 2008 diende zij nieuwe aanvragen in, die eveneens werden afgewezen en gehandhaafd na bezwaar.
De Raad overwoog dat het verzoek van 2008 een herzieningsverzoek betrof, waarbij toetsing plaatsvindt aan de hand van nieuwe feiten of omstandigheden die bij eerdere besluiten niet bekend waren. Appellante stelde dat medische gegevens van vóór 1980 niet waren meegenomen en dat haar longklachten niet astmatische bronchitis waren maar veroorzaakt door angst en een longontsteking in het kamp.
De Raad concludeerde echter dat deze argumenten grotendeels herhalingen waren van eerdere grieven en dat de medische adviezen, waaronder een advies van een geneeskundig adviseur, bevestigden dat de longklachten berusten op allergische astma bronchiale, een constitutionele aandoening die niet causaal verband houdt met de vervolging. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten die herziening rechtvaardigen.