ECLI:NL:CRVB:2010:BO9056

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5535 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • K. Zeilemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit van 25 november 1996, nr. AD96/U1026Algemeen RijksambtenarenreglementReglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit over afwijzing uitbetaling compensatie-uren bij eervol ontslag ambtenaar

Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, beëindigde zijn werkzaamheden per 1 september 2007. Na het niet vinden van een passende functie is op 19 mei 2008 een overeenkomst gesloten voor ontslag op verzoek met ingang van 19 oktober 2008, waarbij rekening werd gehouden met niet-genoten vakantie-uren.

Appellant vorderde uitbetaling van compensatie-uren opgebouwd tussen 1 januari 2008 en 19 oktober 2008, ter waarde van circa €7.000. De staatssecretaris stelde dat tijdens de non-activiteitsperiode geen compensatie-uren konden worden opgebouwd omdat er geen feitelijke arbeid werd verricht.

De Raad oordeelde dat op grond van het Besluit van 25 november 1996 en het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst compensatie-uren alleen kunnen worden opgebouwd bij daadwerkelijk verrichte arbeid. De overeenkomst vermeldde alleen vakantie-uren en niet compensatie-uren. De uitleg van de overeenkomst en de geldende regelingen maken duidelijk dat geen recht op compensatie-uren bestond tijdens de non-activiteit.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit van de rechtbank dat het beroep van appellant ongegrond verklaarde en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant heeft geen recht op uitbetaling van compensatie-uren tijdens de non-activiteitsperiode.

Uitspraak

09/5535 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 augustus 2009, 09/1694 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 16 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2010. Appellant is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de Belastingdienst.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst en laatstelijk tewerkgesteld bij de [naam afdeling]. Deze laatste werkzaamheden zijn per 1 september 2007 beëindigd. Nadat het niet mogelijk was gebleken voor appellant een functie binnen de Belastingdienst te vinden en appellant te kennen had gegeven het dienstverband wel te willen beëindigen is op 19 mei 2008 een overeenkomst gesloten. Die overeenkomst strekte tot het verlenen van ontslag op verzoek met ingang van 19 oktober 2008 met de toevoeging dat de werkelijke ontslagdatum zal worden bepaald aan de hand van nog niet genoten vakantie-uren.
1.2. Bij besluit van 25 juli 2008 is aan appellant eervol ontslag op verzoek verleend, met als ingangsdatum
31 december 2008. In dit besluit is opgenomen dat rekening is gehouden met 724 vakantie-uren, waarvan een deel zal worden uitbetaald en het andere deel bepalend is geweest voor de vaststelling van de ontslagdatum. Tevens is vermeld dat geen recht op (vergoeding van) compensatie-uren bestaat. Het bezwaar van appellant tegen deze laatste overweging is bij besluit van 27 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Ook in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van de overeenkomst dan wel de daaraan te ontlenen verwachtingen recht heeft op uitbetaling van de in de periode van 1 januari 2008 tot 19 oktober 2008 opgebouwde zogeheten compensatie-uren. Het daarmee corresponderende bedrag is ongeveer € 7.000,-. De staatssecretaris is van opvatting dat appellant in bedoelde periode geen compensatie-uren heeft opgebouwd, omdat hij niet feitelijk werkzaam is geweest. Om die reden is vergoeding van die uren dan ook niet mogelijk en niet redelijk.
4. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht in hoger beroep als volgt.
4.1. Op grond van de van toepassing zijnde rechtspositionele bepalingen uit het op het Algemeen rijksambtenarenreglement berustende Besluit van 25 november 1996, nr. AD96/U1026 en het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst bestaat aanspraak op compensatie van teveel ingeroosterde werktijd. Door toepassing van compensatie-uren wordt bereikt dat de ambtenaar gemiddeld niet meer uren werkt dan zijn arbeidsduur. De compensatie wordt opgenomen in vrije dagen. Bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid wegens ziekte langer dan vier weken aaneengesloten bestaat niet langer aanspraak op compensatie-uren en dit is eveneens het geval indien om een andere reden - niet zijnde vakantie - langer dan een aaneengesloten periode van vier weken geen dienst wordt verricht. Uit deze bepalingen leidt de Raad af dat appellant gedurende de hier in geding zijnde periode van non-activiteit geen recht had op compensatie-uren. Dat appellant, zoals door hem gesteld, wel beschikbaar was voor arbeid maakt dat niet anders; het gaat om het daadwerkelijk verrichten van arbeid, voor meer uren dan volgens de formele arbeidsduur. Dat appellant in 2007, eveneens tijdens non-activiteit, kennelijk in strijd met deze bepalingen wel compensatie-uren zijn toegekend betekent niet dat hij daar ook over 2008 recht op had.
4.2. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of appellant op grond van de overeenkomst van
19 mei 2008 recht had op (uitbetaling van) compensatie-uren. Dienaangaande verwijst de Raad in de eerste plaats naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 13 november 2008, LJN BG5003 en TAR 2009, 78) dat afspraken over de beëindiging van het ambtelijk dienstverband moeten worden aangemerkt als een nadere regeling inzake de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Bij de uitleg van de overeenkomst komt het niet uitsluitend aan op de bewoordingen van hetgeen is bepaald, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten.
4.3. In de overeenkomst van 19 mei 2008 is niets opgenomen over compensatie-uren. Vermeld is slechts dat de daadwerkelijke ontslagdatum zal worden vastgesteld door rekening te houden met de door appellant nog niet genoten vakantie-uren, waarbij er fictief vanuit zal worden gegaan dat appellant vanaf 19 oktober 2008 vakantie geniet. Hem is verzocht om opgave van het aantal openstaande vakantie-uren. Hieruit leidt de Raad af dat appellant op grond van de letterlijke tekst van de overeenkomst geen recht kan doen gelden op (uitbetaling van) compensatie-uren.
Op het verzoek om opgave van vakantie-uren heeft appellant gereageerd door opgave te doen van openstaande vakantie-uren (689) èn uren compensatieverlof (168). Appellant heeft verder aangegeven dat hij de regeling ziet als een financieel arrangement waarbij zijn huidige honorering (met inbegrip van pensioenopbouw, aanspraken op vakantiegeld, eindejaarsuitkering, verlof enz) onverkort in tact blijft tot de datum van het daad-werkelijke ontslag. Zijn akkoord is onder het voorbehoud dat deze opvatting juist is. Als antwoord op deze brief is hem meegedeeld dat van opbouw van compensatie-uren geen sprake is, als geen arbeid is verricht.
4.4. Evenmin als de rechtbank volgt de Raad appellant in zijn stelling dat waar in de overeenkomst sprake is van vakantie-uren tevens zou zijn bedoeld compensatie-uren. Niet aannemelijk is dat in weerwil van de letterlijke tekst van de overeenkomst en in afwijking van de geldende regelingen tijdens de periode van non-activiteit opbouw van compensatie-uren zou plaatsvinden die bij ontslag aan appellant zouden worden vergoed. De gedingstukken geven daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Dat in de overeenkomst ten gunste van appellant is afgeweken van de geldende regelingen over vakantieverlof maakt dat niet anders. Verwacht mag worden dat de staatssecretaris dat dan ook (uitdrukkelijk) bij de compensatie-uren zou hebben gedaan, als dat de bedoeling was geweest. De Raad tekent daarbij aan dat appellants voorbehoud niet tot een andere uitkomst leidt, immers de geldende arbeidsvoorwaarden zijn onverkort in tact gebleven, inclusief de voorwaarden die gelden voor de opbouw van compensatie-uren. De uitleg die appellant aan de overeenkomst wenst te geven kan dan ook niet als redelijk worden aanvaard.
4.5. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep kan niet slagen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2010.
(get.) K. Zeilemaker.
(get.) K. Moaddine.
HD