ECLI:NL:CRVB:2010:BO7610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering zonder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden
Appellant, voormalig vleesbewerker, ontving sinds 1992 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na werkhervatting als productiemedewerker in 2001 en ziekmelding in 2003, werd zijn WAO-uitkering op basis van het oorspronkelijke dagloon voortgezet. Appellant betwistte de hoogte van het dagloon, stellende dat dit opnieuw vastgesteld had moeten worden op basis van het loon bij zijn latere werkgever.
De Raad overwoog dat appellant geen tijdig bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 22 juni 2005, waardoor dit besluit onherroepelijk werd. Het verzoek om terug te komen op het besluit werd inhoudelijk behandeld, maar het bestuursorgaan handhaafde het oorspronkelijke besluit. De Raad benadrukte dat bij toetsing aan het oorspronkelijke besluit moet worden vastgehouden en dat alleen bij nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden herziening mogelijk is.
De Raad concludeerde dat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor herziening van het dagloon, mede omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen en het loon waarop de WAO-uitkering was gebaseerd correct was vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde eveneens, aangezien geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voortzetting van de WAO-uitkering zonder wijziging vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.