ECLI:NL:CRVB:2010:BO7232

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6056 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd

Appellante was sinds 1995 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk geen Ziektewet-uitkering vanwege reeds bestaande arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Na vernietiging van dit besluit door de Centrale Raad van Beroep in 1997, werd in 2007 alsnog een medisch onderzoek verricht. Het UWV kende een ZW-uitkering toe met een hersteldatum van 28 december 1995, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze beëindiging en voerde aan dat zij ook na die datum ziek was en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, mede gezien haar breekbare persoonlijkheid en een psychologisch rapport uit 2001.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische gegevens geen twijfel opriepen over de hersteldatum. In hoger beroep stelde appellante dat het psychologisch rapport meegewogen had moeten worden en dat het UWV meer zorgvuldigheid had moeten betrachten. De Raad oordeelde dat het rapport uit 2001 niet relevant was voor de situatie in 1995 en dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig was. Er was geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee werd de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 28 december 1995 definitief vastgesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 28 december 1995 na een zorgvuldig medisch onderzoek.

Uitspraak

09/6056 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 september 2009, 09/841 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J.M. Boot, advocaat te Steenbergen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
“Eiseres is sinds 21 juni 1995 via het uitzendbureau werkzaam geweest als glassorteerster. Voor dat werk is zij op 28 juni 1995 uitgevallen vanwege klachten van misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid en visusklachten. Bij besluit van 6 september 1995 heeft verweerder met ingang van 28 juni 1995 geweigerd aan eiseres een ZW-uitkering toe te kennen onder de overweging dat reeds bij aanvang van de verzekering sprake was van arbeidsongeschiktheid. Aan zijn weigering heeft verweerder artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a van de ZW ten grondslag gelegd.
Bij uitspraak van 17 december 1997, procedurenummer 96/9444 ZW, heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) het tegen het besluit van 6 september 1995 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. In zijn uitspraak heeft de CRvB onder meer overwogen dat naar zijn oordeel een voldoende toereikende medische en feitelijke grondslag ontbreekt voor toepassing van de weigeringsbevoegdheid van artikel 44 van Pro de ZW.
In vervolg op deze uitspraak heeft de gemachtigde van eiseres verweerder in 1998 meerdere malen verzocht om (alsnog) uitspraak te doen over de duur van de arbeidsongeschiktheid van eiseres vanaf de datum van ziekmelding van 28 juni 1995. Op 22 maart 2007 heeft eiseres wederom verzocht om alsnog uitspraak te doen over de duur van de arbeidsongeschiktheid van eiseres vanaf de datum van ziekmelding van 28 juni 1995. Eerst in september 2007 heeft verweerder een medisch onderzoek verricht.
Bij brief van 15 januari 2008 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres een tweetal besluiten doen toekomen. Bij besluit van 15 januari 2008 (primair besluit I) heeft verweerder aan eiseres met ingang van 30 juni 1995 een ZW-uitkering toegekend ter hoogte van 70% van het dagloon van € 2,40. Voorts is medegedeeld dat de hersteldatum 28 december 1995 is. Bij besluit van 12 december 2007 (primair besluit II) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij met ingang van 28 december 1995 geen recht meer heeft op ziekengeld aangezien zij per voormelde datum hersteld wordt geacht.
Tegen beide besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres gericht tegen het primaire besluit I gegrond verklaard. Volgens verweerder berust het primaire besluit I op onjuiste gronden aangezien het dagloon van eiseres niet juist is berekend. De hoogte van het dagloon van eiseres dient te worden vastgesteld op € 52,09 in plaats van € 2,40. het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit II heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Op basis van nader medisch onderzoek verricht door de bezwaarverzekeringsarts handhaaft verweerder het standpunt van eiseres, gelet op de bij haar vastgestelde medische arbeidsbeperkingen, met ingang van 28 december 1995 in staat kan worden geacht tot het verrichten van haar arbeid als glassorteerster.
2.2 Eiseres heeft in beroep, samengevat, aangevoerd dat zij op en na 28 december 1995 zodanig ziek was dat voortzetting van haar ZW-uitkering gerechtvaardigd was. Eiseres is van mening dat verweerder haar zaak niet goed heeft uitgezocht. Er is enkel geprobeerd via haar huisarts medische informatie te verkrijgen uit de periode 1995/1996. Toen die informatie niet voorhanden bleek, is verder onderzoek achterwege gebleven. Dit had volgens eiseres wel voor de hand gelegen aangezien zij tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangegeven nog steeds om de haverklap ziek te zijn. Daarbij acht eiseres van eminent belang dat uit onderzoek is gebleken dat zij een breekbare persoonlijkheid heeft. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft eiseres een psychologisch onderzoeksrapport van 16 augustus 2001 overgelegd.”
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat het beroep zich enkel richt tegen het bestreden besluit voor zover dit ziet op de beëindiging van de uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) per 28 december 1995. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vaststelling achteraf van de ongeschiktheid tot werken van appellante onvermijdelijk een enigszins arbitrair karakter draagt. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest en dat appellante ook geen medische informatie heeft overgelegd die twijfel zaait aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Het standpunt van het Uwv dat appellante met ingang van 28 december 1995 niet meer ongeschikt is voor haar arbeid als glassorteerster vindt niet alleen voldoende steun in de stukken maar uit het dossier blijkt ook dat in overleg met appellante de duur van de ongeschiktheid door de verzekeringsarts op zes maanden is bepaald. Derhalve heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3.1. Van de zijde van appellante is in hoger beroep naar voren gebracht dat het Uwv en de rechtbank ten onrechte geen rekening hebben gehouden met het in beroep door appellante overgelegde psychologisch rapport. De omstandigheid dat het Uwv zelf met ernstige vertraging heeft beslist op de aanspraken op een ZW-uitkering had tot een grotere zorgvuldigheid bij de beoordeling moeten leiden. Daarbij zou consultatie van een psychiater door het Uwv voor de hand hebben gelegen.
3.2. Het Uwv heeft in het verweerschrift betoogd dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts P. van Thillo-Nadels als zorgvuldig, helder, consistent en volledig kan worden aangemerkt en dat er geen aanleiding is om een deskundige te benoemen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad ziet het hoger beroep geen doel treffen. De Raad stelt vast dat het rapport van 16 augustus 2001 van het psychologisch onderzoek van appellante door de klinisch psycholoog M.W. Veenhuizen, de psycholoog W.E. Meeuwsen en de psycholoog J.E.E.A. Mulder is opgemaakt in het kader van haar arbeidsintegratie, niet ziet op de hier in geding zijnde datum 28 december 1995 en voor een oordeel over deze datum ook geen aanknopingspunten biedt. De Raad is van oordeel dat het onderzoek van de voornoemde bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest. De Raad ziet ook geen aanknopingspunten voor het (doen) instellen van een nader medisch onderzoek door bijvoorbeeld een psychiater.
4.2. Hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
KR