ECLI:NL:CRVB:2010:BO7232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was sinds 1995 arbeidsongeschikt en ontving aanvankelijk geen Ziektewet-uitkering vanwege reeds bestaande arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Na vernietiging van dit besluit door de Centrale Raad van Beroep in 1997, werd in 2007 alsnog een medisch onderzoek verricht. Het UWV kende een ZW-uitkering toe met een hersteldatum van 28 december 1995, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen deze beëindiging en voerde aan dat zij ook na die datum ziek was en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan, mede gezien haar breekbare persoonlijkheid en een psychologisch rapport uit 2001.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische gegevens geen twijfel opriepen over de hersteldatum. In hoger beroep stelde appellante dat het psychologisch rapport meegewogen had moeten worden en dat het UWV meer zorgvuldigheid had moeten betrachten. De Raad oordeelde dat het rapport uit 2001 niet relevant was voor de situatie in 1995 en dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig was. Er was geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een vergoeding van proceskosten af. Hiermee werd de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 28 december 1995 definitief vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 28 december 1995 na een zorgvuldig medisch onderzoek.