ECLI:NL:CRVB:2010:BO7210

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1077 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet-tijdige ziekmelding

Appellant, voormalig teamleider in de verslavingszorg, ontving een WW-uitkering vanaf juni 2005 en diende werkbriefjes in tot maart 2007. Na een administratieve controle gaf appellant aan zich al in oktober 2005 ziek te hebben gemeld, maar formeel meldde hij zich pas in april 2007 ziek. Een verzekeringsarts achtte appellant arbeidsongeschikt vanaf april 2007, maar niet voor de periode augustus 2005 tot april 2007.

Het UWV wees een verzoek tot ziekengeld vanaf augustus 2005 af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat geen twijfel bestond over de medische conclusies.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en hecht waarde aan het rapport van de verzekeringsarts. Er is geen bewijs dat appellant zich tijdig ziek heeft gemeld, waardoor de medische beoordeling pas achteraf kon plaatsvinden. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van een tijdige ziekmelding.

Uitspraak

09/1077 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 februari 2009, 08/2420 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 december 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010.
Partijen zijn met bericht van verhindering niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die van 1 juni 2003 tot 15 april 2005 als teamleider in de verslavingszorg heeft gewerkt, ontving met ingang van 1 juni 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Hij heeft tijdens zijn werkloosheid tot 19 maart 2007 maandelijks werkbriefjes ingezonden. Naar aanleiding van een administratieve controle in maart 2007 door het Uwv heeft appellant op 21 maart 2007 te kennen gegeven dat hij zich al in oktober 2005 had ziek gemeld. Vervolgens heeft appellant zich op 17 april 2007 alsnog met ingang van augustus 2005 ziek gemeld.
1.2. Op 22 mei 2007 is appellant gezien door een verzekeringsarts, die appellant met ingang van 17 april 2007 arbeidsongeschikt achtte, maar niet gedurende de periode van augustus 2005 tot april 2007. Aan appellant is vervolgens met ingang van 17 april 2007 ziekengeld toegekend.
1.3. Appellant heeft zich bij brief van 9 juli 2007 tot het Uwv gewend met het verzoek hem met ingang van de door hem gestelde ziekmelding van 23 augustus 2005 ziekengeld toe te kennen.
2. Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het Uwv op de aanvraag van appellant afwijzend beslist, omdat hij per 23 augustus 2005 niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de Ziektewet.
3. Bij besluit van 24 april 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 februari 2008 ongegrond verklaard.
4.1. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht als bedoeld artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft hierbij overwogen dat appellant alleen een uitnodiging voor een medisch onderzoek had ontvangen en dat niet is gebleken dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts tevens een hoorzitting was.
4.2. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. De rechtbank zag geen reden om te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsarts, dat appellant op 23 augustus 2005 niet arbeidsongeschikt was.
5. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden om het onder 4.2 vermelde oordeel van de rechtbank niet te onderschrijven. De Raad kent met name betekenis toe aan het door de verzekeringsarts op 22 mei 2007 uitgebrachte rapport. Gelet op daarin weergegeven ziektegeschiedenis en de overige gegevens in het dossier heeft deze arts naar het oordeel van de Raad op goede gronden vastgesteld dat appellant de afgelopen twee jaar slechts lichte klachten had, niet in behandeling was, in die tijd regelmatig heeft gesolliciteerd, en WW-uitkering heeft ontvangen, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat arbeidsongeschiktheid in de periode van augustus 2005 tot april 2007 niet aannemelijk is. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat naar zijn oordeel niet is komen vast te staan dat appellant zich reeds in augustus 2005 bij het Uwv had ziek gemeld. In het dossier bevinden zich geen gegevens waaruit blijkt dat appellant zich destijds telefonisch heeft ziek gemeld. Van een tijdige schriftelijke ziekmelding is evenmin gebleken. Als gevolg hiervan heeft de medische beoordeling eerst achteraf kunnen plaatsvinden.
6. Uit hetgeen onder 5 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
JL