ECLI:NL:CRVB:2010:BO4702

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1438 BESLU
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Staat in proceskosten na intrekking verzoek schadevergoeding redelijke termijn

Betrokkene had een verzoek tot schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Na meerdere procedures bij de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep bereikten partijen overeenstemming over het bedrag van de schadevergoeding.

Hierdoor trok betrokkene het verzoek om schadevergoeding in en verzocht de Raad om de Staat te veroordelen in de proceskosten die betrokkene had moeten maken voor de behandeling van dit verzoek. De Raad stelde vast dat de Staat niet had betwist dat aan betrokkene was tegemoetgekomen.

Op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet veroordeelde de Raad de Staat in de proceskosten, begroot op €161. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 november 2010.

Uitkomst: De Staat wordt veroordeeld tot betaling van €161 aan proceskosten na intrekking van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

09/1438 BESLU
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het verzoek om schadevergoeding van:
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
met als partijen:
betrokkene
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) (hierna: Staat)
Datum uitspraak: 17 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens betrokkene heeft mr. I.H.M. Hest, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 20 maart 2007, 05/483 en 30 oktober 2007, 05/3233, in de gedingen tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Bij uitspraak van 18 maart 2009, 07/2472 + 07/6923 ZW, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.
Namens de Staat heeft mr. E.J. Daalder, advocaat te ’s-Gravenhage, in deze procedure een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Namens betrokkene heeft mr. Hest, daarop schriftelijk gereageerd.
Nadien is de Staat volledig tegemoetgekomen en heeft betrokkene het verzoek om schadevergoeding op het punt van de overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de staat te veroordelen in de proceskosten.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het verzoek tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.
Nu de Staat niet heeft betwist dat aldus aan betrokkene is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding op het punt van de overschrijding van de redelijke termijn heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 161,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt de Staat in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 161,--, te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
KR