ECLI:NL:CRVB:2010:BO4623
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Appellante, voormalig inpakster, kreeg vanaf 14 mei 2001 een WAO-uitkering wegens psychische klachten en hoofdpijn gerelateerd aan een schildklieraandoening. Het UWV trok de uitkering in per 26 januari 2009 na een herbeoordeling waarbij werd geconcludeerd dat zij geschikt was voor licht werk zonder verlies aan verdienvermogen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, onder meer omdat er geen objectiveerbare medische informatie was die de medische beoordeling van het UWV in twijfel trok en de arbeidskundige onderbouwing werd onderschreven. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten dat zij meer beperkingen had en onterecht geen WIA-uitkering kreeg.
De Raad oordeelt dat de medische beoordeling juist was en dat de psychische beperkingen niet zijn onderschat. Wel stelt de Raad vast dat de arbeidskundige onderbouwing pas in hoger beroep met het rapport van De Wit adequaat is toegelicht. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit voor zover het de intrekking van de WAO-uitkering betreft, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.