ECLI:NL:CRVB:2010:BO4577
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO- en AAW-uitkering wegens niet-aangetoonde doorlopende arbeidsongeschiktheid
Appellant verzocht het UWV om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO en AAW vanwege rug- en psychische klachten na een bedrijfsongeval. Het UWV stelde de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast op 20 februari 1995, waarna werd geconcludeerd dat appellant op dat moment niet verzekerd was voor WAO of AAW. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde vast dat er geen doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf december 1993 of februari 1994 was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij sinds december 1993 onafgebroken of met korte onderbrekingen arbeidsongeschikt was en dat hij zich in februari 1994 had gemeld bij de RIAGG met psychische klachten. Psychiatrische rapporten zouden volgens hem doorlopende arbeidsongeschiktheid bevestigen. De Raad overwoog echter dat onvoldoende aannemelijk was dat er sprake was van ernstige rug- of psychiatrische problematiek die leidde tot volledige en doorlopende arbeidsongeschiktheid.
De Raad onderschreef de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts, die oordeelde dat de klachten niet wezen op een ernstige psychische stoornis of een crisissituatie en dat de rugklachten werden onderhouden door psychosociale factoren. De Raad bevestigde het standpunt van het UWV dat de arbeidsongeschiktheid niet was aangevangen tijdens een verzekerde periode en dat de arbeidsongeschiktheid niet onafgebroken 52 weken heeft geduurd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WAO- en AAW-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende bewijs van doorlopende arbeidsongeschiktheid tijdens een verzekerde periode.