ECLI:NL:CRVB:2010:BO4286

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3360 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering Ziektewetuitkering

Appellant was in dienst bij een werkgever op basis van een projectovereenkomst en meldde zich ziek. Het UWV weigerde aanvankelijk een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat de werkgever tijdens ziekte verplicht was loon door te betalen. Na bezwaar werd appellant alsnog met terugwerkende kracht vanaf de datum van einde dienstverband in aanmerking gebracht voor een Ziektewetuitkering.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het geschil over loondoorbetaling tot het domein van de kantonrechter behoort. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring. Tevens wees de Raad het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten af, omdat appellant het bezwaar zelf had ingediend en de advocaat zich niet als gemachtigde in de bezwaarprocedure had gesteld.

De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de aangevallen uitspraak in het openbaar op 17 november 2010.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt bevestigd.

Uitspraak

09/3360 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 april 2009, 08/2346 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 november 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Ooms.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 1 oktober 2007 in dienst gekomen bij [naam werkgever] (hierna: de werkgever) voor de duur van een projectovereenkomst met KPN tot uiterlijk 28 maart 2008. Op 4 januari 2008 heeft hij zich ziek gemeld. Op 5 februari 2008 is aan het dienstverband een einde gekomen in verband met de beëindiging van de overeenkomst tussen zijn werkgever en KPN.
1.2. Bij besluit van 11 februari 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) aangezien de werkgever van appellant tijdens ziekte de verplichting heeft tot loondoorbetaling. Bij besluit van 30 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard en appellant alsnog met ingang van 6 februari 2008 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat een beslissing over hetgeen appellant beoogt met het instellen van het beroep - te bewerkstelligen dat zijn werkgever alsnog het loon betaalt tot en met 28 maart 2008, de datum waarop zijn arbeidsovereenkomst is geëindigd - is voorbehouden aan de kantonrechter.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep aanvoert geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de door de rechtbank gegeven overwegingen en maakt deze tot de zijne.
3.3. De Raad ziet voorts geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de door appellant gemaakte advocaatkosten in de bezwaarprocedure. Appellant heeft zelf een bezwaarschrift ingediend en mr. J.W. Aartsen heeft zich niet als zijn gemachtigde in de bezwaarprocedure gesteld. De brief van mr. Aartsen van 21 mei 2008, welke was gericht aan de werkgever van appellant, is louter ter kennisname aan het Uwv toegestuurd en is niet als aanvulling van de bezwaargronden aangemerkt.
4. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
NK