ECLI:NL:CRVB:2010:BO1582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op ziekengeld wegens ontbreken medische ongeschiktheid
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om per 3 januari 2008 het recht op ziekengeld te beëindigen, omdat zij volgens haar wel arbeidsongeschikt was. Zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts onderzochten appellante en stelden vast dat er sprake was van een ongestoorde nekfunctie en geen ernstige depressie die haar belemmerde haar werk uit te oefenen.
Appellante bracht aanvullende medische gegevens in, waaronder huisarts- en fysiotherapeutbezoeken en contact met een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. De Raad concludeerde echter dat deze gegevens geen objectief bewijs leverden van ongeschiktheid tot arbeid per de datum in geding.
De Raad oordeelde dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat het bestreden besluit terecht is genomen. Er was geen strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en geen aanleiding om het besluit te vernietigen. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld per 3 januari 2008 wordt bevestigd.