ECLI:NL:CRVB:2010:BO1299

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6501 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • A.A.H. Schifferstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellante, die sinds 1997 arbeidsongeschikt is verklaard en een WAO-uitkering ontving, werd per 24 januari 2008 door het UWV geschikt geacht voor ten minste één van de geselecteerde functies, met uitzondering van receptionist/baliemedewerker. Het UWV weigerde daarop verder ziekengeld toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze beslissing.

De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat er geen aanleiding was voor het opvragen van recente nekfoto's en dat de medische beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2003 correct waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de arts ten onrechte geen recente nekfoto's had opgevraagd en dat de FML niet alle beperkingen bevatte.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding geven tot het aannemen van meer beperkingen en dat appellante op de datum in geding ten minste één van de geselecteerde functies kan vervullen. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

09/6501 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 oktober 2009, 08/1392 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 oktober 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.J.J. Hendrikse, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2010. Zoals tevoren bericht, zijn appellante noch haar gemachtigde verschenen en heeft het Uwv zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 7 april 1997 met klachten aan haar voeten en enkels uitgevallen voor haar werk als secretaresse voor 28 uur per week. Nadien heeft zij ook rug- en nekklachten gekregen. Per 9 augustus 1999 is aan appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 29 oktober 2003 is de WAO-uitkering met ingang van
15 december 2003 ingetrokken. Het tegen laatstgenoemd besluit gerichte bezwaar van appellante is bij besluit van
22 december 2004 ongegrond verklaard, omdat appellante geschikt wordt geacht de haar geduide functies te verrichten.
1.2. Op 2 augustus 2007 heeft appellante zich (opnieuw) vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met - naast de bestaande pijnklachten - toegenomen hoofdpijn- en duizeligheidsklachten. De verzekeringsarts
E. Tolsma heeft appellante op 22 januari 2008 onderzocht en heeft, mede gelet op de informatie van behandelend revalidatiearts Vollebregt, geconcludeerd dat bij appellante geen sprake is van nieuwe dan wel toegenomen beperkingen ten opzichte van de beperkingen die al opgenomen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 september 2003. De verzekeringsarts heeft appellante hersteld verklaard voor de destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functie van productiemedewerker.
Bij besluit van 23 januari 2008 heeft het Uwv geweigerd om appellante met ingang van 24 januari 2008 nog verder een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te betalen.
1.3. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante op de hoorzitting op 20 maart 2008 gezien en heeft in zijn rapportage geconcludeerd dat de foto (uit 2005) van de lumbale wervelkolom een lichte discopathie L5-S1 vertoont, maar onvoldoende ernstig voor bijstelling van de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellante, met inachtneming van haar beperkingen, per 24 januari 2008 geschikt geacht voor de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, met uitzondering van de functie receptionist/baliemedewerker. Het tegen het besluit van 23 januari 2008 gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) is appellante in beroep gegaan.
1.4. In de nadere rapportage van 8 juli 2008 heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat appellante in 2006 voor het laatst bij de neuroloog was. De bezwaarverzekeringsarts heeft gerapporteerd dat bij onderzoek geen objectiveerbare bevindingen werden geconstateerd en dat het klachtenpatroon van appellante typisch is voor fibromyalgie. Gelet op de informatie van de revalidatiearts uit 2007 was er geen indicatie om alsnog een foto op te vragen.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen recente nekfoto’s heeft opgevraagd bij de neuroloog. Verder is appellante van mening dat in de FML van 3 september 2003 ten onrechte de mogelijkheid om tussentijds te kunnen vertreden niet als beperking is opgenomen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.2. Uit de medische gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet worden afgeleid dat de (bezwaar)verzekeringsartsen appellantes gezondheidstoestand ten tijde in geding onjuist hebben beoordeeld. Voor het aannemen van meer of verdergaande beperkingen voor appellante ziet de Raad op grond van de beschikbare informatie geen aanleiding. Naar het oordeel van de Raad heeft het UWV zich terecht op het standpunt gesteld dat de beschikbare informatie geen aanleiding gaf tot het opvragen van recente nekfoto’s. Overigens bestond voor appellante de mogelijkheid om zelf recente foto’s in het geding te brengen.
4.3. Uitgaand van de juistheid van de bij appellante in de FML vastgelegde medische beperkingen, is de Raad voorts niet gebleken dat appellante op de in geding zijnde datum niet ten minste één van de geselecteerde functies zou kunnen vervullen.
4.4. De Raad onderschrijft mitsdien het oordeel van de rechtbank dat appellante op goede gronden met ingang van
24 januari 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de ZW. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.A.H. Schifferstein, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2010.
(get) A.A.H. Schifferstein.
(get) T.J. van der Torn.
TM